Cocktail party's schiften de goed- van de slechthorenden

Wilt u iemand verstaan, maar wordt u gehinderd door een knetterende motor, ga dan met uw gezicht naar de spreker staan, met een oor in de richting van de lawaaimaker. Volgens dr. A. W. Bronkhorst, klinisch audioloog, is dat de beste positie is om bij een hinderlijke geluidsbron toch nog een gesprek te kunnen voeren. Bronkhorst promoveerde vrijdag 18 mei aan de Vrije Universiteit op onderzoek naar twee-orig horen van spraak temidden van lawaai. Omdat vooral slechthorenden daar veel moeite mee hebben, werkte Bronkhorst ook met slechthorende proefpersonen. Een mogelijk praktisch resultaat van zijn werk is een test voor het verstaan van spraak in een lawaaierige omgeving die bruikbaar is bij het selecteren en afregelen van een gehoorapparaat.

Slechthorenden, die vaak eenzijdig een gehoorapparaat dragen, kunnen overigens het best met hun slechte oor naar het geluid gaan staan. Het voordeel gaat verloren als het lawaai een lage frequentie heeft. De hoofdschaduw is namelijk belangrijk en laag geluid veroorzaakt weinig geluidsschaduwen.

Voor het verstaan van spraak in een lawaaierige omgeving zijn twee goede oren vrijwel onontbeerlijk. Vooral als het omringende lawaai wordt veroorzaakt door andere sprekers: audiologen en zintuigfysiologen noemen dat een cocktail-party-condition.

Stoorlawaai is horend met twee oren enigszins te onderdrukken. Hoe die oren, en de hersenen daartussenin, dat doen is al bijna vijftig jaar bekend: de binnenkomende signalen worden niet opgeteld, maar, eenvoudig gezegd, van elkaar afgetrokken. Bij optellen zou de verhouding tussen spraak (signaal) en lawaai (ruis) hetzelfde blijven. Bij aftrekken verdwijnt er meer ruis dan signaal. Onze hersenen trekken vooral af als signaal en ruis uit verschillende richtingen komen. De juiste verwerking is afhankelijk van de vercshillen in aankomsttijd en het geluidssterkteverschil bij linker- en rechteroor.

De aankomsttijden, vindt Bronkhorst, hebben in het onderzoek naar spraakverstaanbaarheid teveel aandacht gekregen. Dat komt door de onderzoeksmethode die jarenlang werd gebruikt. De proefpersonen kregen koptelefoons op waardoor kunstmatig opegwekt geluid werd aangeboden.

Bij die kunstmatige geluiden werd uit het oog verloren dat er rond het hoofd een geluidsschaduw bestaat. Bronkhorst gebruikte voor zijn onderzoek onder normaal- en slechthorende proefpersonen echter geluid dat met een kunsthoofd was opgenomen. Een kunsthoofd is een kunststoffen mensehoofd met microfoons in de oorschelpen. Daarmee zijn in een echovrije ruimte 130 zinnen spraak uit normale Nederlandse conversatie opgenomen (sociaal probleem: in het proefschrift staat niet of de proefpersonen ze ook normaal vonden). De opgenomen zinnetjes werden na digitalisering met de computer zo bewerkt dat Bronkhorst de invloed van tijd- en geluidssterkteverschil op spraakverstaanbaarheid in een lawaaierige omgeving apart kon meten. Hij kreeg resultaten die, in afwijking van de oude metingen zonder hoofdschaduw, een groter effect voor de geluidssterkteverschillen lieten zien. De effecten zijn echter niet onafhankelijk van elkaar: het gezamenlijk effect is kleiner dan de som van de uitwerking van tijdsverschil en geluidssterkteverschil apart.

Op een receptie met verscheidene storende sprekers blijken slechthorenden bij meer dan drie sprekers de hoofdspreker niet meer te kunnen volgen - goedhorenden raken de draad van het verhaal bij de omringende storende sprekers kwijt. De verschillen worden vooral duidelijk als het omgevingslawaai in sterkte wisselt: slechthorende profiteren daar niet van, horenden gebruiken die 'gaten in de ruis' optimaal.