Cannes toont terugkeer van het expressionisme in de film

CANNES, 22 mei - De laatste dagen van het 43ste Internationale Filmfestival van Cannes stonden in het hoofdprogramma louter films van hoge kwaliteit te dringen om aandacht. Nadat vorig jaar de debuterende Steven Soderbergh de Gouden Palm gewonnen had voor Sex, lies and videotape, streek dit jaar opnieuw een eigenzinnige Amerikaanse regisseur met de hoogste eer. De indrukwekkende film Wild at Heart van David Lynch, die eerder opviel door Blue Velvet en zijn succesvolle televisie-serie Twin Peaks zou als ondertitel kunnen dragen: sex, violence and art.

Het is zowel een geheide kassakraker als een compromisloos expressionistisch meesterwerk, balancerend op de rand van kitsch en exploitatiefilm. In de vorm van een sprookje, bij herhaling refererend aan The Wizard of Oz, vertelt Lynch zijn verhaal over de hellevaart van een geincarneerde Elvis Presley (Nicolas Cage), zijn vurige verloofde (Laura Dern), haar heksachtige moeder (Diane Ladd) en de duivel (Willem Dafoe). Heavy metal-muziek spat van de geluidsband in Dolby-stereo, en bloederige effecten tarten de Amerikaanse censor en de maag van de toeschouwer. Na de prijsuitreiking gisteravond had het chauvinistische Franse publiek minder aandacht voor Lynch dan voor de terecht als beste acteur onderscheiden Gerard Depardieu. Zijn rol in Jean-Paul Rappeneaus verfilming van Cyrano de Bergerac jongleert virtuoos met Rostands alexandrijnen. Het scenario van Jean-Claude Carriere weet tegen de verwachting in de negentiende-eeuwse tragikomedie nieuw leven in te blazen, zonder de vorm wezenlijk aan te tasten. Aankleding en mise-en-scene zijn een feest voor oog en oor door hun elegantie en grandeur. De overige prijzen werden netjes verdeeld over de wereld buiten Amerika en Frankrijk. De Poolse Krystyna Janda nam geemotioneerd de prijs voor de beste actrice in ontvangst voor de acht jaar oude, verboden film De Ondervraging van Ryszard Bugajski. Oost-Europa viel ook in de prijzen met de regie-onderscheiding van de Rus Pavel Loengin voor Taxi Blues, de troostprijs voor de 'beste artistieke bijdrage' voor Gleb Panfilows De Moeder en de Gouden Camera, de debuutprijs, voor Beweeg niet, sterf en sta weer op van de Rus Vitali Kanevski. Een andere troostprijs ging naar Hidden Agenda van Ken Loach.

Ex aequo

De belangrijkste prijs na de Gouden Palm, dit jaar omgedoopt van 'Grote Speciale Juryprijs' tot 'Grand Prix-Cannes 1990', ging ex aequo naar de Japanse produktie De Engel des Doods van Kohei Oguri - tevens winnaar van de Persprijs - en naar Idrissa Ouedraogo it Burkina Faso voor Tilai. Na vorig jaar in Cannes opgevallen te zijn met Yaaba, bevestigt Ouedraogo nu zijn reputatie als de belangrijkste Afrikaanse cineast met een simpel verhaal over incest, eer en bloedwraak in een kleine dorpsgemeenschap.

Tilai is een verdienstelijke film, maar lang niet zo mooi als de thematisch opvallend vergelijkbare Chinees-Japanse co-produktie Ju Dou, die buiten de prijzen bleef. Na Het Rode Korenveld maakte regisseur Zhang Yimou opnieuw een visueel zeer aantrekkelijke film, gesitueerd op het Chinese platteland, waar een oude stoffenverver zijn jonge bruid mishandelt. Ze baart hem een zoon, die echter van de jonge neef van de echtgenoot blijkt te zijn. De minnaars spannen samen tegen de oude man a la The Postman Always Rings Twice. Eenmaal volwassen neemt de zoon wraak op zijn moeder en biologische vader. Ju Dou is een zeer mooie film, meer gedisciplineerd dan Het Rode Korenveld. De oogst was kwalitatief uitzonderlijk goed dit jaar in Cannes.

Bij het scheiden van de markt waren nog de beste Disney-tekenfilm sinds jaren, The Little Mermaid, en een nieuwe film van de Italiaanse Oscar-winnaar Giuseppe Tornatore te zien. Stanno tutti bene overtreft gemakkelijk Tornatores overschatte Nuovo cinema paradiso, al wordt ook in deze reisfilm, van de oude Siciliaanse gemeenteambtemaar Marcello Mastroianni naar zijn over Italie verspreid wonende kinderen, die stuk voor stuk voor hun vader de schijn ophouden van een goed huwelijk en een geslaagde carriere, het sentiment niet geschuwd. Maar een scene met Mastrioanni als oppas van een aan televisie kijken verslaafde baby maakt veel goed. Zelfs de officiele slotfilm van Cannes mocht er wezen. Harold Pinter bewerkte Ian MacEwans roman The Comfort of Strangers voor regisseur Paul Schrader tot een Losey-achtige griezelfilm in luxe-verpakking. Twee Engelse toeristen raken in Venetie in de ban van een decadent echtpaar, met fatale gevolgen, zoals iedereen die Don't Look Now en Dood in Venetie gezien heeft, had kunnen voorspellen. De fluwelen noodlotsklanken van componist Angelo Badalamenti, die ook de muziek van Wild at Heart schreef, spelen een hoofdrol. Badalamenti kondigt zich aan als de opvolger van Ennio Morricone en is een trend aan het worden. Andere Cannes-trends zijn de opmars van de Oosteuropeanen, de nostalgie naar de tijd dat er nog zoiets als een Westerse beschaving bestond en de terugkeer van het filmexpressionisme. David Lynch is er de belangrijkste vertegenwoordiger van, maar ook zijn Britse bewonderaar Philip Ridley, eveneens oorspronkelijk een schilder. Ridley debuteert als regisseur met The Reflecting Skin, een verontrustend sprookje met demonen, vuur, exploderende padden en andere vlees geworden abstracties uit het onderbewustzijn. Het voornaamste verschil met het Duitse filmexpressionisme uit de jaren twintig is het optimale gebruik van Cinemascope-beeld en Dolby-stereo, waardoor het onzegbare niet alleen getoond, maar duizend keer uitvergroot wordt. Lynch's Wild at Heart is een baanbrekende film, maar zou nooit vertoond mogen worden op televisie of video.