Te licht bevonden voor de Oost-Europa-bank

De kandidatuur van dr. H. O. C. R. Ruding voor de Ontwikkelingsbank van Oost-Europa (EBRD) is begonnen als een grap en geeindigd als een tragedie. Voor de tweede keer in enkele jaren tijd is Ruding gepasseerd voor een internationale toppositie. Dat is een persoonlijke slag voor Ruding en een diplomatieke vernedering voor Nederland.

In het mijnenveld van nationale belangen en internationale machtsverhoudingen heeft Ruding het moeten afleggen tegen de Fransman Jacques Attali en heeft de Nederlandse inspanning voor zijn kandidatuur gefaald. Dat is des te pijnlijker omdat aanvankelijk een Nederlander werd gezocht om de nieuwe bank voor ontwikkeling van Oost-Europa te leiden.

Op 4 oktober vorig jaar hield de president van de Deutsche Bank, Alfred Herrhausen, een lunchtoespraak in Washington, waar die week de jaarvergadering van het IMF en de Wereldbank werd gehouden. Herrhausen stelde voor om een Bank voor wederopbouw van Oost-Europa op te richten en zei dat een Nederlander een dergelijke instelling het beste zou kunnen leiden. 'Nederlanders zijn goede kooplui en ze zijn politiek aanvaardbaar voor Oost-Europa', aldus Herrhausen, die korte tijd later bij een bomaanslag in Frankfurt werd vermoord.

Welke Nederlander kwam voor deze functie in aanmerking? Bijvoorbeeld de op dat moment demissionaire minister van financien Ruding, gepasseerd voor de post van directeur van het IMF, en naar verwachting binnenkort zonder politieke functie. Daags na de opmerking van Herrhausen suggereerde de gossip-rubriek van de Financial Times de kandidatuur van Ruding.

Ruding zelf was van die speculaties aanvankelijk niet op de hoogte en bovendien had hij zijn bedenkingen tegen het voorstel van Herrhausen. Een nieuwe instelling was helemaal niet nodig, meende hij. De bestaande Europese Investeringsbank kon zijn activiteiten heel goed naar Oost-Europa uitbreiden, dat was goedkoper en sneller. Wel gaf hij een medewerker opdracht het knipseltje uit de Financial Times toch maar even op te zoeken.

Herrhausens idee voor een bank voor de wederopbouw van Oost-Europa sloeg wel aan in het Elysee, waar de presidentiele adviseur Jacques Attali zocht naar nieuwe uitdagingen. Attali was het brein geweest achter de viering van 200 jaar Franse revolutie. Zijn poging om dit spektakel aan te grijpen voor een hervatting van de Noord-Zuid-dialoog tussen rijke en arme landen was op een jammerlijke mislukking uitgelopen. De veranderingen in Oost-Europa boden nieuwe mogelijkheden voor Attali en Frankrijk om zich te profileren.

Mitterrand lanceerde het plan van een Ontwikkelingsbank voor Oost-Europa als zijn eigen vondst op een ingelast diner voor de Europese regeringsleiders in Parijs en zag zijn inspanningen beloond op de Europese 'top' in Straatsburg, op 11 december 1989. Premier Lubbers had inmiddels bedacht dat hij zijn ex-minister van financien alsnog een prachtige internationale functie zou kunnen bezorgen. Korte tijd later lanceerde Lubbers persoonlijk Rudings kandidatuur. Andere kandidaten, zo had een snelle peiling geleerd, waren in geen velden of wegen te bekennen.

Intussen had Amsterdam zich aangemeld als vestigingsplaats voor de bank, in het kader van de campagne 'Amsterdam internationaal financieel centrum'. En hoewel het enthousiasme voor Amsterdam in Den Haag merkbaar matig was, zei premier Lubbers enigzins geforceerd dat de Nederlandse lobby niet inzette op Ruding of Amsterdam, maar op Ruding en Amsterdam. Ruding liep zich warm door voor het CDA een goodwill-reisje naar Hongarije te maken en door deel te nemen aan een seminar in Warschau met internationale kopstukken. De president van De Nederlandsche Bank, Duisenberg, maakte van meet af aan bezwaar tegen Rudings kandidatuur. Hij had liever een inspanning om de bank naar Amsterdam te halen.

Achter de schermen waren de Fransen bezig hun eigen kandidaat te lanceren. En toen Attali eenmaal formeel naar voren werd geschoven, bleek hij ook al van steun verzekerd te zijn. Frankrijk had bijvoorbeeld enkele niet-Europese landen gevraagd Attali te steunen en vervolgens deze landen aangespoord om lid te worden van de Bank voor Oost-Europa. Zo meldden Mexico, Marokko en Egypte zich als leden aan. Toen de Nederlandse ambassadeurs in deze landen beleefd de kandidatuur van Ruding kwamen aanbevelen, bleken hun stemmen al te zijn toegezegd aan Frankrijk.

Geleidelijk begon de naam van Parijs als geschikte vestigingsplaats van de bank te circuleren. Frankrijk reageerde niet afwijzend op dit gerucht en Den Haag begon verheugd te gokken op de combinatie Ruding-Parijs. Dan zou iedereen tevreden zijn. Begin mei overvielen de Fransen Nederland met de lakonieke mededeling dat Parijs nooit offieel kandidaat voor de vestiging was geweest en dat, wat de Fransen betreft, de bank in Londen gevestigd mocht worden. De zorgvuldig om Parijs opgebouwde Nederlandse strategie viel daarmee in duigen.

Het was tekenend voor de geraffineerdheid van de Franse lobby, waarmee Ruding al eerder kennis had gemaakt in 1986 toen hij kandidaat was om directeur van het Internationale Monetaire Fonds te worden. De opvolging van de Fransman De la Rosiere door de Fransman Camdessus was toen al voorgekookt voordat Ruding zich in de strijd wierp.

Bij de IMF-benoeming had Ruding een meerderheid in de EG achter zich en aangezien de directeur van het IMF traditioneel een Europeaan is, hoopte Nederland dat de Europese meerderheid Ruding naar het IMF zou tillen. De ontwikkelingslanden waren massaal voor Camdessus en de VS hielden zich op de achtergrond. De toenmalige minister van financien Baker vond Ruding een vervelende vent, want die had enkele keren het Amerikaanse financiele beleid publiekelijk afgekraakt. Die arrogantie was hem in Washington niet in dank afgenomen. Toen Europa niet in staat bleek met een gemeenschappelijke kandidaat te komen, greep Amerika in en uiteindelijk gaf de Amerikaanse stem de doorslag. Ruding bleef, hevig teleurgesteld, zitten in Den Haag.

Bij de Bank voor Oost-Europa lagen de zaken anders. Deze keer had Ruding het voordeel van de snelle kandidatuur en moesten de Fransen een achterstand wegwerken. Ook nu was Europa verdeeld maar in meerderheid voor Ruding. De sympathie van de VS ging uit naar Ruding.

De Amerikanen zagen niets in een Franse intellectueel met een linkse achtergrond, die boeken schreef en zo nadrukkelijk briljant was. De harde aanpak van Ruding was goed voor Oost-Europa, meenden de Amerikanen. Maar anders dan bij het IMF hadden de VS dit keer niet zoveel invloed. De EBRD is een Europese aangelegenheid en binnen de EG heeft Parijs meer spierballen dan Den Haag.

Aanvankelijk leek het prima te gaan met de campagne. De Nederlandse lobby legde de nadruk op de kwaliteiten van Ruding, op zijn achtergrond als bankier, bewindvoerder van het IMF, voorzitter van het Interim-comite van het IMF en minister van financien. Op grond van een brief van premier Thatcher en welwillende reacties van andere landen lieten Nederlandse zegslieden zich herhaaldelijk ontvallen dat de kans op benoeming van Ruding niet stuk kon.

Maar de spijkerharde toezeggingen die Nederland zei te hebben ontvangen bleken weinig voor te stellen toen het om keiharde machtspolitiek ging. 'Als het er op aan komt worden dergelijke toezeggingen even hard weer ongedaan gemaakt', zei een Nederlandse functionaris op een hoge internationale positie. Dat was nog voordat Thatcher haar steun aan Ruding introk.

Uiteindelijk heeft Ruding het niet afgelegd tegen Attali, maar tegen president Mitterrand. Terwijl Nederland telexen verstuurde naar zijn diplomatieke vertegenwoordigers en Lubbers naar de telefoon greep, sprak president Mitterrand met de groten der aarde. Hij bezocht Bush, hij ontving de Poolse premier, hij ging naar Gorbatsjov, hij had bilaterale ontmoetingen met Kohl en Thatcher. Bij dergelijke gelegenheden kon de Europese bank terloops ter sprake worden gebracht en tegen de President van de Republiek is het niet eenvoudig nee zeggen. Zo slaagde Frankrijk er in eerst West-Duitsland en vervolgens Groot-Brittannie voor zijn kandidaat te winnen.

De Nederlandse lobby was niet in staat om in dit circuit door te dringen. Namens Nederland voerde het ministerie van financien de onderhandelingen over de statuten en de oprichting van de bank, lag de verantwoordelijkheid voor de promotie van Ruding en Amsterdam bij Buitenlandse Zaken, terwijl Algemene Zaken (het kabinet van Lubbers) eveneens betrokken was. Ondertussen had Van den Broek van de Ruding-campagne een lakmoestest van nationale aspiraties gemaakt. In een artikel in deze krant verweet hij de Nederlandse media dat ze niet - zoals in Frankrijk vanzelfsprekend is - onvoorwaardelijk achter de 'goede zaak' stonden. Hij beloofde een borrel voor sceptische journalisten na de benoeming van Ruding.

Een campagne-team is nooit van de grond gekomen, de verschillende circuits raakten elkaar zelden. Alleen op het hoogste niveau was sprake van coordinatie: premier Lubbers, minister van buitenlandse zaken Van den Broek en thesaurier-generaal bij financien Maas vormden het Nederlandse team. Bij vlagen was de campagne voor Ruding vooral een solo-actie van Maas. 'We deden het niet slecht, maar we zijn het niet gewend', zei een betrokkene tegen het einde van de strijd. 'We deden het zelfs beter dan de Fransen hadden verwacht. Daarom lukte het ze niet om eenvoudig hun zin door te drukken.' De laatste troef speelde Frankrijk uit in het overleg van de Groep van Zeven, het gezelschap van de zeven machtigste industrielanden waarvan Nederland geen deel uitmaakt. Ruding zelf heeft al jaren geleden gefulmineerd tegen de evolutie van de G-7 tot een 'werelddirectoraat'. In de beslotenheid van de G-7 stemmen de grote landen op steeds meer terreinen hun standpunten op elkaar af. Dat gebeurde ook in het weekeinde van 6 mei, het beslissende moment in de benoeminggsstrijd.

Dat weekeinde kwam in Washington de Groep van Zeven bijeen ter voorbereiding van de halfjaarlijkse vergadering van het IMF. Aan de orde kwamen een verhoging van de quota van het IMF, de rangorde van de belangrijkste lidstaten en de kwestie van de Bank voor Oost-Europa. Uiteindelijk kwam een veelomvattend pakket afspraken tot stand: de quotaverhoging werd geregeld, Frankrijk en Groot-Brittannie kwamen tot een vergelijk over de rangorde in het IMF en koppelden daaraan een akkoord over de Bank voor Oost-Europa. Het werden Londen en Attali.

Het was Frans cynisme ten top. Ruding had zich als minister van financien en voorzitter van het Interim-comite van het IMF twee jaar lang ingezet voor een quotaverhoging en een regeling van de rangorde. Tevergeefs. De regeling die uiteindelijk getroffen werd, kostte hem zijn nieuwe baan. Helmut Kohl en Margaret Thatcher, steunpilaren van de Nederlandse lobby, waren niet bereid om op verzoek van Lubbers een moeizaam bereikt akkoord van de Groep van Zeven open te breken ten behoeve van Ruding.

Nadat de beslissing was gevallen, zette Nederland eindelijk een diplomatiek offensief in. Vorige week wist Buitenlandse Zaken zowaar de ambassadeurs van de kleinere EG-landen op een lijn te krijgen in een wanhoopsactie gericht tegen de macht van de Groep van Zeven. De kleinere EG-landen voelden zich gepakt nu de vier grote EG-landen in een ander verband de zaak van de bank hadden geregeld. Nederland liet Ruding vallen om met steun van Belgie te elfder ure de kandidatuur van Amsterdam nog eens aan te bevelen.

Die actie was bij voorbaat kansloos. Na wat laatste gesputter op zaterdag wierp Van den Broek gisteren de handdoek in de ring. De borrel die hij had toegezegd, kan koud blijven staan.

Ruding, ten tweede male gepasseerd. (Foto: NRC Handelsblad/ Freddy Rikken)