Schrijver Louis Ferron; Sterke drang tot zelfvernietiging

'Monomaan', 'bezeten', 'een mysticus'; een greep uit de typeringen van bekenden van de schrijver Louis Ferron. Fascinatie voor het lelijke en slechte, een verbeten zoeken naar de vaderfiguur en 'hoeren en snoeren' kenmerken de schrijver en zijn werk. Vorige week werd hem de AKO Literatuurprijs 1990 toegekend. 'Grote klasse', vindt men in zijn stamkroeg in Overveen, als was hij een succesvol wielrenner.

Twee dagen nadat hem de AKO-prijs ten deel viel, signeert de prijswinnaar in de Athaeneum boekhandel in Haarlem, de stad waar Ferron sinds zijn jeugd woont. De schrijver achter de stapels boeken gedraagt zich uiterst aimabel tegenover zijn klanten. Een oud-gemeenteraadslid legt hem de gelauwerde roman Karelische nachten voor. 'Zit je nog in de politiek', vraagt Ferron. Het antwoord luidt ontkennend. 'Heel goed; politiek leidt tot niets', zegt hij en overhandigt de man een gesigneerd exemplaar.

Later, in zijn stamkroeg in Overveen wordt Ferron door tal van gasten gefeliciteerd. Men is trots op de mede-ingezetene, als was hij een succesvol wielrenner. 'Grote klasse', zegt een corpulente man joviaal, zijn woorden kracht bijzettend met een ferme klap op de tengere schouder van de schrijver. Een vrouw schenkt hem een pakje sigaretten. Van de slager krijgt hij een leverworst cadeau.

Het zijn de 'gewone mensen' met wie Ferron zich bij voorkeur omringt. Nooit voelde hij de behoefte de competitie aan te gaan met een hoofdstedelijke literaire coterie. Hij wijst naar buiten, een herenhuis met gesloten vitrages. Over de mensen die achter dat soort ramen wonen schrijft hij, de anonieme bewoners van een provinciestad, bij wie het fascisme op de loer ligt.

Mythologisch

Louis Ferron werd onder de naam Karl Heinz Beckering in 1942 te Leiden geboren, als de zoon van een Nederlandse moeder en een Duitse vader. Zijn eerste levensjaren bracht hij door in Bremen, waar hij werd opgevoed door de wettige echtgenote van zijn vader; zijn verwekker heeft hij nooit gekend. Pas later ontdekte Ferron dat hij een huisschilder was die in de Tweede Wereldoorlog in Den Helder voor de marine camouflageschilderingen maakte en in het laatste oorlogsjaar sneuvelde. Nog weer later wist Ferron twee schilderijtjes te bemachtigen, die zijn vader als amateur-kunstschilder maakte. De 'Vatersuche' zou een belangrijk thema worden in zijn proza. De raadsels die jarenlang over zijn afkomst bestonden, namen in het leven en het werk van de schrijver mythologische proporties aan. Jarenlang hield hij vol dat zijn vader een Wehrmachtsoldaat was, die aan het Oostfront sneuvelde. In werkelijkheid vond August Beckering als te elfder ure opgeroepen dienstplichtige de dood door een omvallende muur. Maar de Tweede Wereldoorlog had Ferron zich inmiddels toegeeigend, als was het zijn geschiedenis.

In 1949 keerde hij terug naar Nederland; afwisselend woonde hij bij zijn moeder, bij zijn grootmoeder en in verschillende kindertehuizen. Het orthodox katholicisme, waardoor zijn jeugd was gekleurd, vormt een ander thema dat hij later met gretigheid exploiteerde. In Nederland ondervond de jonge Aloysius Ferron - zoals hij naar de achternaam van zijn moeder werd omgedoopt - aan den lijve wat het betekende om het tastbare resultaat te zijn van een 'slippertje' van een Nederlandse vrouw met 'de vijand'. Ouders van zijn vriendjes wezen hem af, wilden niet dat het 'moffenkind' over de vloer kwam.

Het gevoel buitenstaander te zijn heeft de jeugd van Louis Ferron beheerst, van de nonnenschool in Leiden, de kostschool in Medemblik tot de St. Jeroen-Mulo in Haarlem. Hij brengt driekwart jaar door in een 'observatiecentrum' in Doorn en wordt vervolgens ondergebracht bij een pleeggezin in Driehuis. Daarna volgt een periode van uiteenlopende baantjes: een ongeschoolde ontheemde met artistieke aspiraties, die op zijn zeventiende op kamers gaat wonen. In die tijd meldt hij zich in Parijs bij het Vreemdelingenlegioen en wordt naar Marseille getransporteerd waar hij wordt afgekeurd wegens zijn te kleine postuur. Terug in Haarlem wordt hij de eerste Haarlemse langharige met existentialistische symphatieen, die hartje zomer rondloopt op kameelharen pantoffels en in een zwarte coltrui. Ferron komt in aanraking met de dochter van de schrijfster Lizzy Sara May, Mischa Proper. Lizzy Sara May was destijds getrouwd met Oscar Timmers, die later uitgever werd bij de Bezige Bij en proza publiceerde onder de naam J. Ritzerfeld. Begin jaren '60 trouwt Ferron met Mischa Proper, vooral om op kamers te kunnen gaan wonen. Het is een bewogen huwelijk dat negen jaar stand houdt. Bij zijn schoonouders vindt Ferron voor het eerst een voedingsbodem voor zijn artistieke belangstelling. Timmers brengt hem op het spoor van Celine, een schrijver die voor een belangrijk deel de levensvisie van Ferron bepaalde. Ferron schildert in die dagen, maar ontdekt al snel dat hij zich niet kan meten met de door hem bewonderde Cobra-schilders. Zijn adoratie voor Bert Schierbeek openbaart zich door talloze teksten in Schierbeek-stijl. Hij schrijft zijn eerste gedichten en de nooit gepubliceerde autobiografische roman Buiten schot.

Oscar Timmers herinnert zich Ferron als een buitengewoon langharige, enigszins verwaarloosde 'Rimbaud-figuur', die toen al geobsedeerd was door iets wat hij als Deutschtum omschrijft. Iemand die zich overgaf aan 'maskerades'; hij pleegde thuis de katholieke H. Mis tot in alle details te celebreren. Maar ook een jongeman bij wie de spot tot diep in de ziel is doorgedrongen.

Confrontaties tussen het joodse milieu van zijn vrouw en het katholicisme van zijn jeugd ging hij niet uit de weg. Integendeel, de jonge Ferron zocht de botsing en het conflict. Als Timmers op de redactie van de Bezige Bij jaren later de eerste romans van Ferron onder ogen krijgt, blijkt zijn stiefzoon van weleer zijn obsessies op minutieus gedocumenteerde wijze in publikabel literair werk te hebben omgezet.

Pornografie

Zijn poeziedebuut maakt Ferron in 1962 met de gedichtencyclus Kleine Krijgskunde in Maatstaf. Om aan de kost te komen werkt Louis Ferron geruime tijd als copywriter, een professie die nog steeds bij zijn naam in het telefoonboek vermeld staat. Hij werkt op de reclame-afdeling van De Spaarnestad, schrijft er onder meer de reclamefolders voor Libelle, is enige tijd hoofdredacteur van de Born-uitgave Management en maakt het clubblad van de ECI, Boektiek. Eind jaren '60 schrijft Louis Ferron een aantal pornografische verhalen in de serie Candy-aanraders onder de schuilnamen Luigi di Verona (Genadeloze meesteres) en Louis de Verone (Dagboek van perverse vrouwen). Het was in de periode dat pornografie in seksueel-revolutionaire kringen nog als een daad van vrijheidsdrang kon worden beschouwd. Hij zag het zelf als een daad van spionage in een milieu dat hem fascineerde maar waarmee hij zich niet vereenzelvigde.

Op aanraden van Lizzy Sara May begeeft Ferron zich weer op het terrein van de literatuur. Na Zeg nu zelf, is dit ontroerend? (Arbeiderspers, 1967) publiceert hij in 1972 zijn tweede poeziebundel, Grand Guignol, bij de Bezige Bij. Na twee jaar volgt de trilogie Gekkenschemer (1974), Het stierenoffer (1975) en De keisnijder van Fichtenwald (1976). Dan raakt hij in een impasse en besluit hij rechten te gaan studeren. Anderhalf jaar houdt hij dat vol, maar lovende recensies, de bekroning van De keisnijder van Fichtenwald met de Multatuliprijs en verzoeken van Hollands Diep en Vrij Nederland om bijdragen te leveren doen hem besluiten zich geheel te wijden aan de schrijverij.

Ferron is in alle opzichten een kind van de decadente, soms zwart gekleurde Romantiek: mentaal, cultureel en literair. Zijn fascinatie voor het lelijke en slechte in zijn boeken getuigt daarvan, maar ook de wijze waarop hij zijn leven inricht.

Hij trouwt voor een tweede keer, een huwelijk dat eveneens een kleine tien jaar stand houdt. Dan volgt een 'paniekhuwelijk' met een straatarme jonkvrouw, dat hem voor anderhalf jaar bindt aan Aerdenhout. Zijn turbulente levenswandel omschrijft hij als 'hoeren en snoeren', een drang tot zelfvernietiging. Hij krijgt een grote bewondering voor Heinrich von Kleist en schrijft een libretto over hem: dat spreekt hem aan, een leven als de personages in het werk van Von Kleist, uitmondend in een pathetische zelfmoord. Ferron deed een zelfmoordpoging, aan het eind van zijn derde huwelijk. Op zijn linkerarm getuigt een aantal littekens daar nog van. Daar tegenover staat een drang tot zelfvergroting: het mythologiseren van en het koketteren met eigen leed en schuldgevoelens. Louis Ferron moet leven zoals hij zich in zijn werk presenteert, een romantische notie die hij beschouwt als 'au fond een ziekte'. De waardering voor het werk van Louis Ferron beleefde na de eerste vier romans een terugval. De kritiek vond dat hij in herhaling verviel, steeds hetzelfde thema behandelde. Het deed hem pijn maar hij troostte zich met de gedachte dat hij zich ontwikkelde tot een 'cult-schrijver'; een klein maar begeesterd publiek wist hij met zijn inmiddels flink uitgedijde oeuvre aan zich te binden. Bovendien voelde hij zich gestreeld door het feit dat literatuurwetenschappers hem indeelden bij de eersten der post-modernen. Juist omdat hij weet wat het is om na enige literaire roem weer terug te vallen, kan hij de publiciteit die hij nu krijgt goed relativeren.

Zijn eerste romans gaven blijk van een buitengewone belangstelling voor de geschiedenis van Duitsland in de afgelopen eeuw. Het is de motor van zijn schrijversschap. De drang om zich eerst op journalistieke wijze te informeren heeft de laatste tijd plaats gemaakt voor een behoefte zich te beperken tot de levens en intieme gevoelens van de mensen waarover hij schrijft. Ferrons fascinatie voor het oorlogsverleden zal zich dan hoofdzakelijk openbaren tijdens het jaarlijks uitstapje van de 'Oude Jongensclub', een groepje cafevrienden met wie hij telkens een macaber reisdoel uitzoekt. Bij aanvang van de tocht draagt altijd een van de reizigers Naar Zwoerdjesland van Annie M. G. Schmidt voor. Een vitrine met relikwieen in een hoekje van het cafe getuigt van de bestemmingen: een stukje prikkeldraad uit Buchenwald, een schepje van het veld van eer van Verdun en een verroest Lee Enfield-geweer uit de slag om Ieperen. Op een foto uit '87 grijnst de schrijver vergenoegd, een Engelse helm als een trofee op het hoofd.