Plechtigheid

Het Warschause Plac Zwyciestwa, het Plein van de Overwinning, is een zeer leeg plein. Aan de ene kant ligt Hotel Victoria, laag en wit en breed, met metaalfolie op de ramen waardoor het honderd oranje ogen lijkt te hebben. De tweede zijde van het plein wordt gedomineerd door het politieke commissariaat van het leger, waar, nu politieke commissarissen zijn afgeschaft, voornamelijk administratief werk wordt verricht. Ook staat er hotel Europejski, ouder dan Victoria, wat meer stijl, maar alleen van buiten, want het voert wel trots vier sterren maar dat zijn er zeker twee te veel. De derde zijde van het plein wordt in zijn geheel gevuld door de achterkant van het nationaal theater, waar het staats-persagentschap Interpress domicilie houdt. Een kolossaal gebouw dat op een vreemde manier doet denken aan een volledig mislukte piramide. Interpress publiceert regelmatig tamelijk nutteloze teksten over Polen en helpt voor veel geld buitenlandse journalisten aan gesprekspartners, maar het werkt zo ondoelmatig, langzaam en bureaucratisch dat het elk moment kan worden opgeheven.

De vierde zijde is een park, de Saksische Tuin, met het nationaal monument, het graf van de onbekende soldaat. Het nationaal monument bestaat uit een paar pilaren met overkapping. Het is het enige dat in de oorlog overbleef van het barokpaleis dat koning August II hier driehonderd jaar geleden liet aanleggen.

Tussen die vier zijden is leegte, niets. Aan de randen liggen wegen, rijden auto's, maar daartussen ligt een grote, kale, lege vlakte. Een militaire band brengt het volkslied ten gehore, dat door de verzamelde toeschouwers, overwegend van jaargangen uit het prille begin van de eeuw, stram wordt aangehoord. Onder tromgeroffel marcheren in ganzenpas drie olijfgroene uniformen met stijve lichamen erin achter hun hoog opgegooide benen op het monument af. Ze lopen niet, ze bewegen zich in stoten voort, ze gooien zich vooruit, achter die benen aan, achter die zwarte laarzen aan. Bij het monument aarzelen ze, ze stellen zich op, ze presenteren het geweer met de bajonet erop. Drie andere uniformen maken zich los uit de schaduw van de pilaren, zij leggen op dezelfde wijze de weg terug af, tot ze op hun plaats staan, pas op de plaats maken en zowaar gewone soldaten worden, niet te onderscheiden van hun collega's. Vervolgens maken zes militairen met zes kransen en bloemstukken zich los uit de menigte toeschouwers. Ze stellen zich op, dertig meter voor het monument. Achter hen formeert zich, langzaam, langzaam, de groep oud-strijders, zeer bejaarde mannen - veteranen van welke oorlog eigenlijk, de Pools-Russische misschien? - en heel voorzichtig loopt dit geheel op de pilaren af: de soldaten opnieuw in ganzenpas, maar twee versnellingen lager dan daarnet, achter hen de grote vierkante vlek van oude mannen, grijze hoofden, ze hebben de oorlog in hun botten, op hun gezichten, op hun borst, in de rij van onderscheidingen, ze schuifelen, gebogen ruggen, vaalbruine regenjassen, zonnebrillen, stokken, hun oude stijve stapjes steken vreemd af tegen de trage maar energieke ganzenpas van de zes bloemendragers in hun olijfgroene uniform.

Nog meer tromgeroffel, het rolt van de militaire band naar het monument en weer terug. De vlek van oude mannen verbreedt zich voor het monument, een dichte rij van regenjassen met grijs erboven, de kransen worden geplaatst, er wordt in de houding gestaan, weer klinkt het volkslied, grijze hoofden worden opgericht, kromgegroeide ruggen gerecht, alleen de eeuwige vlam beweegt. Tot ook deze nationale plechtigheid voorbij is, en de oud-strijders weer zijn teruggeschuifeld naar de toeschouwers, zijn opgelost in de menigte, weer gewone burgers zijn geworden, bejaarden. De militairen marcheren af naar blauwe politiebussen terzijde van Interpress. Op een na, die zijn meisje aan de arm neemt en gaat wandelen in het park achter het monument, het park van August II, in de Saksische Tuin. Dan is het Plac Zwyciestwa weer Warschaus leegste plein, voor een week.