Man en plaats

DE JUISTE MAN op de juiste plaats, een oude wijsheid waarmee altijd de ellende is begonnen. Want wie zal uitmaken wat objectief geredeneerd de uitkomst van die wijsheid in een speciaal geval is. De 42 leden van de Europese ontwikkelingsbank voor Oost-Europa hebben dit weekeinde met ruime meerderheden gekozen voor Londen als vestigingsplaats en de Fransman Jacques Attali als president. De uitkomst van de 'peiling' deed Nederland bij monde van minister Van den Broek zijn verzet staken tegen het resultaat van wat in Den Haag was gedoodverfd als een handjeklap tussen Frankrijk en Groot-Brittannie. Dat verzet was weer voortgekomen uit het Haagse verlangen de bewuste bank in Amsterdam te krijgen met Onno Ruding aan het hoofd.

In de bezinning achteraf in het Nederlandse regeringscentrum wordt thans een eerste plaats toegekend aan het vraagstuk van de kleine landen. Deze zouden immers voortdurend het nakijken hebben. Een snelle poging tot mobilisatie van een groepje kleine landen in de Europese Gemeenschap vorige week blijkt een slag in de lucht te zijn geweest. Maar, wie weet, mogelijk is hier op termijn iets groots te verrichten, zeker indien de grote landen zich aan schuldgevoelens zouden willen overgeven.

EEN ANDERE oude wijsheid wil dat grote landen om begrijpelijke redenen de leiding in internationale organisaties nog wel eens aan de vertegenwoordiger van een klein land willen gunnen. Nederland heeft daarvan in het verleden geprofiteerd. Maar misschien zijn we een nieuw tijdperk binnengegaan waar grote landen hebben ontdekt dat het spel zonder neutrale arbiter nog winstgevender kan zijn.

Nederland heeft in de afgelopen jaren geen bijzondere rol gespeeld met betrekking tot Oost-Europa. Op het beslissende moment ontaardde de gedachtenwisseling over hulp aan Oost-Europa in geruzie over prioriteiten: het Haagse ontwikkelingsmonopolie wilde niet van Oost-Europa horen. Buitenlandse zaken had zich met betrekking tot de regio door de jaren heen geoefend in een 'handen-af'-houding. Onno Ruding, later uitverkoren als kandidaat-president van de bank, begon ermee zijn schouders op te halen over het Duits-Franse initiatief. De beslissing om twee ijzers tegelijk in het vuur te steken, Ruding en Amsterdam, bleek vanaf het moment dat een combinatie niet haalbaar was averechts te werken. Een keuzemogelijkheid overtuigt niet. Daarvan kent ons land een historisch voorbeeld.

VOOR NATIONALE bezeerdheid is er dus niet veel aanleiding. Wel voor een stevig gewetensonderzoek. De mogelijkheden en onmogelijkheden van vaderlandse initiatieven dienen beter te worden verkend, wil er van diplomatie in de eigenlijke betekenis sprake kunnen zijn.