LHV voorziet groot tekort aan huisartsen door opzetopleidingen

ROTTERDAM, 21 mei - In Nederland dreigt een groot tekort aan huisartsen te ontstaan, als niet spoedig meer mensen worden toegelaten tot de huisartsenopleiding. Dat stelt de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV). De LHV wil het aantal opleidingsplaatsen volgend jaar al tijdelijk verhogen van 280 tot 400. Vanaf 1995 zouden elk jaar 400 plaatsen beschikbaar moeten zijn. De LHV verwacht dat de lange wachtlijst voor de opleiding dan aanzienlijk zal slinken. Naar het beperkte aantal opleidingsplaatsen dingen nu ongeveer 1.500 artsen mee. Via een loting en vervolgens een sollicitatiegesprek kunnen zij voor toelating in aanmerking komen. Het College voor Huisartsen- en Verpleeghuisartsengeneeskunde, dat verantwoordelijk is voor de opleiding, overweegt de loting af te schaffen. In de loop van deze zomer zal het college daarover een besluit nemen, verwacht ondervoorzitter S. O. Ypma. 'Dat besluit moet dan nog worden goedgekeurd door de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) en de minister van welzijn volksgezondheid en cultuur. Als dat gebeurt kan de loting, waartegen veel bezwaar bestaat, per januari 1991 zijn afgeschaft.' Het College wil de opleidingsduur, die in 1988 met een jaar werd verlengd tot twee jaar, per 1992 nog eens met een jaar uitbreiden. Daarover verwacht Ypma kort na de zomer een besluit.

Verlenging van de opleiding met een jaar zou betekenen dat er gedurende een jaar geen lichting huisartsen van de opleiding komt. Om die onderbreking in de instroom van nieuwe huisartsen op te vangen, wil de LHV volgend jaar boven het aantal van 280 een extra aantal artsen in opleiding nemen.

Op de iets langere termijn voorziet de LHV een structureel groeiende behoefte aan huisartsen. De organisatie baseert die verwachting op een aantal uiteenlopende maatschappelijke ontwikkelingen. De zogeheten 'dubbele vergrijzing' (het aantal ouderen neemt toe, en de mensen leven gemiddeld langer) doet de behoefte aan thuiszorg groeien en brengt een groter beroep op de arts met zich mee.

Ook de roep om minder behandeling in ziekenhuizen en verpleeghuizen zal leiden tot meer werk voor huisartsen. Verder dragen deeltijdwerk, de wens om aan patienten meer tijd te besteden en de kleiner wordende praktijken bij aan de groeiende vraag naar huisartsen. 'Daarnaast blijft er altijd behoefte aan een 'pool' van artsen die de opleiding wel hebben voltooid, maar nog geen praktijk hebben gevonden', aldus Ypma. 'Er moeten altijd waarnemers zijn die de huisarts kunnen vervangen.' Vorig jaar waren er in Nederland 658 artsen met een voltooide opleiding die nog op zoek waren naar een praktijk. In totaal heeft Nederland 6.350 huisartsenpraktijken.

Bezwaren tegen uitbreiding van het aantal opleidingsplaatsen zijn vooral van financiele aard, aldus Ypma. 'Met 280 deelnemers kost de opleiding nu jaarlijks veertig miljoen gulden. 'Als al onze verlangens - uitbreiding van de opleiding en het aantal opleiders, tot bevordering van de deskundigheid - in de praktijk worden gebracht, kom je al snel op een verdubbeling van dat bedrag uit.' Deze kosten komen ten laste van de begroting van het ministerie van WVC. Ypma erkent dat er wel 'gestreden zal moeten worden' voordat WVC het geld beschikbaar stelt. 'Daar komt nog bij dat de huisartsen in opleiding vinden dat ze een te laag salaris krijgen', zegt Ypma. 'Maar we zullen prioriteiten moeten stellen. In de beroepsgroep is men het erover eens dat de driejarige opleiding hoognodig is. Het heeft de hoogste prioriteit.' Ypma gaat ervan uit dat het ministerie uitbreiding van de capaciteit en van de duur van de opleiding zal steunen. Het ministerie is daar 'op zich voor', aldus een woordvoerder, maar 'de kosten kunnen altijd nog problemen opleveren'.

Het ministerie verwacht in de tweede helft van dit jaar een standpunt over deze kwestie in te nemen.