Een mof uit de zestiende eeuw

Hoe lang zijn we eigenlijk vertrouwd met het verschijnsel Mof? Langer dan de meesten zullen denken. Al in 1574 wordt er in een tekst voor gewaarschuwd dat men niemand voor mof mag uitschelden, zeker niet als die iemand een Duitser was. 'Dat egeen borger oft ingesetene ... eenige questien ofte geschillen met eenige soldaten oft knechten en zal mogen nemen, noch oock eenige injureuse woorden, tzy mofmaff ofte andere spreken.'

(Dat geen burger of ingezetene ruzie zal mogen zoeken met soldaten of hen beledigende woorden als 'mof' of andere zal mogen toevoegen.)Ruim vier eeuwen gelegen was mof een scheldwoord voor de Duitsers die in Nederland vertoefden. In de zestiende eeuw en later waren dat er nog al wat: soldaten, rondtrekkende kwakzalvers, 'overlandse' arbeiders en bedienden. De soldaten kwamen hier als huurlingen of als werkzoekenden, de arbeiders en bedienden eveneens omdat er thuis geen werk was en omdat de Nederlanders goedkope arbeidskrachten zochten. Dat laatste blijkt dus iets van alle tijden.

In kluchten worden kwakzalvers vaak opgevoerd met hun kromme Duits-Nederlandse taaltje. 'Hier hab ick noch ein andren compositioon, ir Hern: der ick euch alsoo baldt wol verklooren', zegt de mof Hans in de Klucht van de Quacksalver uit 1663. Die Duitse arbeidskrachten brachten het scheldwoord mof zelf mee naar Nederland. Het Duitse muff, ook wel uitgebreid tot muffmaff is een klanknabootsing. Het duidt op ontevredenheid, het is puffen, blazen, zuchten van ellende. Die verlenging muffmaff maakt het gesteun nog sterker. Mof betekent dan ook 'knorrepot, mopperaar, iemand die onbeleefd, ongemanierd, niet spraakzaam is'. In de loop van de zeventiende eeuw duikt mof op als scheldwoord voor de Duitser in het algemeen, of hij nu in Nederland verbleef of niet. Woorden veranderen voortdurend van gevoelswaarde of ze komen met verschillende gevoelswaarde voor. Schurk kan heel beledigend zijn, maar het wordt ook met enige vertedering gebruikt, net als boef en schalk (dat vroeger 'booswicht' betekende). Ook de mof verloor geleidelijk aan zijn schimpkracht. In 1906 merkte het Woordenboek der Nederlandsche Taal op: '(mof wordt gebruikt) voor Duitschers in het algemeen, die door de meer welvarende Hollanders werden geminacht. Tegenwoordig worden de Duitschers over het algemeen anders beoordeeld, en is de term mof, hoe gemeenzaam ook, dikwijls vrij van minachting.' Daarin is, na twee wereldoorlogen, flink verandering gebracht.

Knoet

Andere smaadnamen voor Duitsers zijn niet of nauwelijks meer bekend. Betje Wolff en Aagje Deken schrijven in hun roman Cornelia Wildschut 5, 268 (1796) nog over: 'Moffen en knoeten, die het gras noch tusschen de tanden zit, en nauw lezen of schrijven kunnen.'

Knoet (dat waarschijnlijk een verbastering is van kornuit) was de verachtelijke benaming voor Noordduitsers, die de naam hadden domkoppen en lompe vlegels te zijn.

Ook Bredero kende de knoeten en hij heeft er geen hoge pet van op. Dus stapelt hij alle scheldwoorden op die hem voor de Duitser bekend zijn. 'Moffen, Poep en Knoet. Dat zijn troggelaars tot bedelen opghevoet.' Er is weinig fantasie voor nodig om te bedenken dat poep de vervorming is van 'Bube'. De hier in het land werkende Duitse maaiers (de hannekemaaiers) hebben elkaar vrijwel zeker met dat woord aangesproken. Hoe lang het woord poep als scheldwoord is blijven bestaan is niet helemaal duidelijk. Misschien wordt het hier en daar nog wel gebruikt. Het Groningse dialectwoordenboek van K. ter Laan vermeldt in 1952 in elk geval nog de uitdrukking 'hij heeft een honger als een poep'. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft in 1933 het kinderrijmpje: Ik kwam laatst in een poepenkraam, Daar zag ik zeven poepen staan. Ik dacht wat doen die poepen hier? Die poepen drinken poepenbier, Die poepen drinken poepenwijn. Wat zullen diepoepen vroolijk zijn.

Iedere poep die kocht een koek, Die stak hij in zijn poepenbroek. Dat is netiets anders dan 'fiets terug'.