West-Europa: antisemitisme in de schaduw van Holocaust

ROTTERDAM, 19 mei - Frankrijk. De recente grove ontwijding van de joodse begraafplaats in het Zuidfranse Carpentras staat niet op zichzelf. Ze is het dieptepunt van een groeiende reeks uitingen van antisemitische sentimenten. De Franse adviescommissie voor de mensenrechten schreef in een rapport, dat op 27 maart werd aangeboden aan premier Rocard, dat vooral het aantal dreigementen aan het adres van joden, in de vorm van graffiti en anonieme telefoontjes, de laatste jaren is gestegen van 57 in 1986 tot 149 in het afgelopen jaar.

De zwaarste aanslagen op joodse doelen in Frankrijk waren het werk van buitenlandse terroristen. Op 3 oktober 1980 werd een aanslag uitgevoerd op de synagoge in de Rue Copernic en op 9 augustus 1982 was het restaurant Goldenberg in de Rue des Rosiers doelwit. Dergelijke aanslagen waren dan telkens weer aanleiding tot een herleving van openlijke antisemitische activiteiten.

Antisemitisme dateert in Frankrijk niet van vandaag of gisteren. Francois Bedarida, directeur van het Instituut voor Contemporaine Geschiedenis, noemt drie soorten antisemitisme. In een vraaggesprek met Le Monde onderscheidt hij het christelijk antisemitisme, dat in de eerste eeuwen van het christendom ontstond, het theoretisch antisemitisme van het einde van de negentiende eeuw, dat in het joodse volk de incarnatie van het kwaad zag en het nazistische antisemitisme, dat zijn basis vindt in een biologisch gefundeerde rassenleer. Hij is van oordeel dat het huidige antisemitisme vooral stoelt op de tweede denkrichting. Die beschouwt de joden als een etnische groepering die niet thuis hoort in de nationale samenleving en andere loyaliteiten heeft: het internationale geld, de internationale revolutie enz. Over de meest recente uitingen zegt hij: 'De grens van de barbarij is altijd dichtbij. De geschiedenis toont ons de kwetsbaarheid van onze joods-christelijke en humanistische beschaving.'

Het bekendste voorbeeld van Frans antisemitisme is nog altijd de affaire-Dreyfus. Deze joodse kapitein werd onder invloed van nationalistische stemmingmakerij in 1894 ten onrechte verbannen naar het Duivelseiland, omdat hij zich zou hebben schuldig gemaakt aan het uitleveren van militaire geheimen aan de Duitsers. Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde maarschalk Petain, recentelijk nog verdedigd door de extreem-rechtse Jean-Marie Le Pen, in het Vichy-Frankrijk een bedenkelijke rol door de maatregelen die hij tegen de joden nam, voordat de Duitsers hem ergens om vroegen. Le Pen zelf, die vindt dat er teveel vreemdelingen in Frankrijk wonen, houdt steeds vol geen antisemiet te zijn, al vindt hij bijvoorbeeld wel dat 'de joden veel macht in de pers hebben.' Duitsland. Het Duitse antisemitisme uit het nazi-tijdperk hangt ten nauwste samen met de Blut und Boden-theorieen die in het vooroorlogse Duitsland opgeld deden. Hoe gevoelig deze periode in de Duitse geschiedenis nog altijd ligt, kwam anderhalf jaar geleden weer eens aan het licht, toen de toenmalige voorzitter van het Westduitse parlement, Philip Jenniger, tijdens een herdenking van de vijftigste verjaardag van de Kristallnacht op een ongelukkige manier eraan herinnerde hoe de Duitsers massaal met het antisemitisme van Hitler waren meegegaan. Jenniger werd ervan beschuldigd niet nadrukkelijk genoeg afstand te hebben genomen van het antisemitisme en werd door de hoog oplaaiende emoties tot aftreden gedwongen.

Ook in Duitsland wordt regelmatig melding gemaakt van uitingen van antisemitisme. Volgens een twee jaar geleden gepubliceerd onderzoek van de Westberlijnse hoogleraar Herbert A. Strauss is vijftien procent van de Westduitsers behept met vooroordelen tegen de joden. Vooral onder de oudere Duitsers zouden die sentimenten nog aanwezig zijn, terwijl onder de jongeren vooral een gevoel van schaamte zou overheersen over wat er door de generatie van ouders en grootouders de joden is aangedaan. Wel constateerde Strauss dat de behoefte om te vergeten onder sommige jongeren leidt tot een 'secundair antisemitisme', omdat de slachtoffers van de Holocaust nog lang niet altijd tot dat vergeten in staat zijn.

In de DDR heeft men het antisemitisme lange tijd beschouwd als onderdeel van een zwart verleden waarmee men als communist niets te maken had. Tijdens zijn ontmoeting met Edgar Bronfman in oktober 1988 zei de Oostduitse leider Erich Honecker: 'De strijd tegen racisme en antisemitisme behoort tot de antifascistische traditie van Oost-Duitsland (...) In de DDR van vandaag hebben alle joodse burgers een waar tehuis gevonden.'

Onder joodse Oostduitsers leeft overigens wel de vrees dat de huidige overgangsperiode die de DDR doormaakt, zal leiden tot zodanige gevoelens van onzekerheid, dat joden daarvan weer het slachtoffer zouden kunnen worden. Oljean Ingster, voorzanger van de joodse gemeente in Oost-Berlijn die vier jaar in het concentratiekamp Sachsenhausen en andere concentratiekampen doorbracht, verklaarde aan de vooravond van de eerste vrije verkiezingen in de DDR dat een economische crisis de situatie voor de joden weer gevaarlijk zou kunnen maken.

Ook in Groot-Brittannie komt antisemitisme voor. Regelmatig verschijnen berichten in de pers over het bekladden van joodse gebouwen en over scheldkanonnades aan het adres van joodse organisaties. Toch is de positie van de joden in Groot-Brittannie totaal anders dan in de rest van West-Europa, omdat de joodse gemeenschap daar de Holocaust niet aan den lijve heeft meegemaakt. Volgens de shrijver Stephen Brook in zijn vorig jaar verschenen boek The Club: The Jews of Modern Britain komen er in Groot-Brittannie wel uitingen van antisemitisme voor, maar bestaat er volgens de meeste mensen geen diep geworteld antisemitisme. George Steiner, hoogleraar in Cambridge, zegt in dat boek: 'In Groot-Brittannie is de Holocaust geen realiteit, zelfs niet voor de joden. Degenen die erover spreken en schrijven en de wezenlijke vraag opwerpen in hoeverre Auschwitz onze percepties, onze theologie heeft veranderd, worden als bombastisch beschouwd(...). We leven in een oase van onwerkelijkheid. Toch is het een wonder dat de Joden van Groot-Brittannie gespaard werden voor de verschrikkingen van Europa. Slechts twintig mijl zout water scheidden hen van de uitroeiing.' (Bijdragen voor dit artikel van onze correspondenten te Londen, Parijs en Bonn)