Stijgende werkloosheid vormt het lelijkste gezicht van Polen

Vorig jaar telde Polen ruim 9.000 werklozen. De schattingen van het aantal werklozen aan het eind van dit jaar varieren tussen 1 en 1,8 miljoen. Wie de extra kosten van de werkloosheid moet betalen weet niemand. De werkloosheid duwt miljoenen tot onder het sociale minimum en slaat diepe gaten in de solidariteit tussen mensen.

LODZ, 19 mei - Lodz, Polens tweede stad: bijna een miljoen inwoners, veel industrie, textiel vooral, eindeloze verzamelingen verveloze flatgebouwen. Een oude straat, in het centrum, de Ulica Piotrowska, negentiende eeuws, huizen met krullen en versierde gevels, maar alles is verwaarloosd en vervallen. Afbladderende verf is de norm, je ziet balkons zonder vloeren, lege kozijnen: vergane glorie. Soms beschermen in een hoek van veertig graden tegen de gevels bevestigde hekwerken de voetgangers op straat tegen vallend puin. Een plaquette: 'Hier heeft Arthur Rubinstein gewoond'.

Hij werd hier ook geboren. Graffiti: 'Stop de joden, Polen voor de Polen'.

Aanplakbiljetten van de rockband Acid Rain, een ander toont de vertrouwde koppen van Marx, Engels, Lenin en Stalin en daarnaast nog een kop: de generaal met de zonnebril, de president. De tekst zegt dat we nu van het 'socrealizm' af willen. Een etalage met kunstmeststaafjes uit Duitsland en folders van Royal Sluis: tulpen temidden van veel grijs, grauw en verval.

Aan de Ulica Wolczanska bevindt zich het arbeidsbureau. In de hal drommen mannen rond een loket. Anderen bestuderen kaartjes aan de muren, vacatures: een timmerman wordt gezocht, een plaatwerker, een metselaar, een krantenbezorger, maar de laatste slechts voor tijdelijk. Arbeiderskoppen, onvriendelijk en zwijgzaam. Ze drentelen wat rond, lezen de kaartjes, lopen naar buiten, gaan in de zon zitten. In de lange gangen zitten andere mannen op bankjes te wachten tot ze naar binnen mogen. Niemand zegt wat, ze kijken naar de grond, naar hun handen, naar hun voeten, mensen met zeeen van tijd en niets te doen, niets te vertellen, verveeld.

Directeur Sylwester Pomorski zetelt driehoog, een bonkige man met een bril. Hij heeft geen tijd voor ons. Nee, zelfs geen tien minuten, er is veel te doen, we zetten arbeidsbureaus op in de provincie, de uitkeringen moeten omhoog. Hij legt niet uit wat hij bedoelt, we krijgen een warme hand, wacht even, er komt zo iemand.

De iemand is Maria Mielczarek, ze is chef van de afdeling analyses. De stad Lodz, vertelt ze, telt per vandaag 11.873 werklozen, de provincie 15.737, in beide gevallen gaat het om drie procent van de beroepsbevolking. Van het totaal zijn er 11.700 al langer dan drie maanden werkloos. Een derde bestaat uit vrouwen, de helft uit ongekwalificeerde arbeiders. Er zijn in de provincie 778 vacante arbeidsplaatsen, waarvan 637 voor ongeschoolde arbeiders: voor de 992 werkloze witteboorden, de 926 werkloze textielarbeiders, de 576 werkloze economen in de provincie Lodz ziet het er niet goed uit.

Het gaat nu heel snel met de werkloosheid, zegt Maria Mielczarek, in juli zal het aantal in de provincie zijn gestegen tot 40.000, want de komende maanden verwachten we dat bij groepsontslagen 5.000 banen verloren gaan, en dan komen er nog 15.000 schoolverlaters op straat te staan, en dan zijn er ook nog de individuele ontslagen. Maar ook 40.000 is niet de top, die komt nog later, zegt Maria Mielczarek, eind dit jaar zal het aantal werklozen zijn gestegen tot 60.000, en hoe het verder gaat, volgend jaar, dat weten we nog niet.

De werkloosheid is het lelijkste gezicht van de economische hervormingen die in januari zijn ingegaan. In december telde Polen 9.300 werklozen, nu zijn het er al 380.000. In januari verwachtte men in Warschau eind dit jaar 400.000 werklozen. Die grens is echter al bereikt, het resultaat van de stroomlijning binnen de bedrijven. Men is nog niet eens begonnen met sluiting van onrendabele bedrijven en ontmanteling van monopolies, de piek komt nog, en de schattingen van het totale aantal werklozen aan het eind van dit jaar varieren nu tussen 1 miljoen en 1,8 miljoen mensen.

Wie de kosten van de werkloosheid moet betalen, weet voorlopig niemand. Er is een werkloosheidsfonds dat is berekend op het verwachte totaal van 400.000. Maar niemand weet uit welk potje de uitkeringen voor de rest moeten komen. Niemand weet ook uit welk potje sociale hulp moet komen, wie de kosten van omscholing moet betalen: werkloosheid is een jong fenomeen hier, iedereen is er door overvallen en de omvang van het probleem is al even verrassend. Zelfs de regels zijn velen onduidelijk: volgens de een heeft een werkloze recht op een uitkering van 75 procent van zijn loon, volgens een ander op 70 procent; volgens de een houdt de uitkering al na een jaar op, volgens de ander gaat die eindeloos door; volgens de een verliest de werkloze zijn uitkering als hij twee banen weigert, volgens de ander gebeurt dat niet.

Het leidt tot fricties en verwijten, van de vakbonden - Solidariteit en OPZZ, de bond van het voormalige bewind - in de richting van de regering, maar ook aan directies, want volgens de bonden worden bij de ontslagen de zwaksten het eerst aan de dijk gezet, en de ongemakkelijke werknemers. Er worden, zo zeggen de bonden, nogal wat persoonlijke rekeningen vereffend nu de vrijheid van het management niet langer wordt belemmerd.

In Lodz zijn de meeste werklozen ongekwalificeerde arbeiders. De gemiddelde uitkering hier is 200.000 zloty (ongeveer 43 gulden); per maand, wel te verstaan. Werklozen moeten twee keer per maand bij het arbeidsbureau langskomen; wie dat niet doet, verliest zijn uitkering voor de duur van een maand. Je krijgt hier, zegt Maria Mielczarek, de eerste drie maanden 70 procent van het gemiddelde loon tijdens de laatste drie maanden, met een maximum van 437.000 zloty per maand. Na drie maanden gaat de uitkering omlaag tot 50 procent en na een half jaar daalt ze tot de hoogte van het minimumloon, 120.000 zloty. Volgens Mielczarek wordt die uitkering na een jaar doorbetaald, volgens andere bronnen houdt na dat jaar alles op en is de werkloze aangewezen op de in Polen sterk onderontwikkelde sociale hulp - geen bijzonder benijdenswaardig lot. Hoe het na dat jaar werkloosheid gaat, weet voorlopig niemand zeker: de werkloosheid is nog geen jaar oud.

Honderdtwintigduizend zloty per maand, de laagste uitkering, is 25 gulden. Kan iemand daarvan leven? Mielczarek: 'Nee. Daar kan niemand van leven. Dat is een fooi, een soort sociale fooi. Die mensen hebben aanvullende hulp nodig.'

Hoe? Van wie? Maria Mielczarek haalt de schouders op.

Het arbeidsbureau, zegt ze, registreert de werklozen, betaalt de uitkeringen uit en biedt banen aan uit het magere vacaturebestand. Voor meer, zegt Maria Mielczarek, is geen ruimte en geen tijd: 'We werken hier de rijen af.' Sinds januari heeft het arbeidsbureau bemiddeld in 2.700 vacatures, zegt ze. Er zijn omscholingscursussen, maar daar is weinig belangstelling voor. Weinig belangstelling? Ze corrigeert zich: 'We weten niet in welke richting we cursussen moeten geven omdat we niet weten wat voor mensen de bedrijven zoeken.'

De bedrijven, zegt ze, zijn niet verplicht vacatures bij het arbeidsbureau te melden. Waarom die regel er is? Ze haalt weer de schouders op, ze weet alleen dat de bedrijven vroeger wel hun vacatures moesten laten registreren. Het gaat allemaal een beetje chaotisch, zegt Maria Mielczarek.

Wat zijn de sociale gevolgen van de werkloosheid? De mensen, zegt ze, zijn anders tegen hun werk aan gaan kijken. Ze werken harder omdat ze bang zijn voor ontslag. Dat is wel positief, ja. Zijn er negatieve gevolgen? Is er meer criminaliteit? Maria Mielczarek haalt opnieuw de schouders op, daar heeft ze nog niets van gehoord.

Pawel Lipski zetelt in een klein en buitengewoon chaotisch kantoortje van Solidariteit in de Ulica Piotrowska, het toonbeeld van het verval in Lodz. Mensen lopen en rennen er in en uit, het is verkiezingstijd, overal liggen stapels folders en propagandamateriaal.

Lipski is textielarbeider, een kleine, ronde man met een baard en haar dat alle kanten uitstaat. Hij transpireert door al die drukte. Hij is provinciaal bestuurslid van Solidariteit. Hij is ook voorzitter van de nationale sectie voor lichte industrie van de vrije vakbond.

De helft van de werklozen hier, zegt Lipski, was werkzaam in de lichte industrie, een zwaar getroffen sector. In Lodz gaat het vooral om de textiel, leer en confectie lopen nog wel, maar katoen, vlas en wol, zegt hij, leveren alleen verlies op, de schulden van die bedrijven lopen in de tientallen miljarden zloty. Wie op straat komt te staan, vindt maar moeilijk nieuw werk. Er is plaats voor duizend kleermakers in de provincie, maar er zijn geen werkloze kleermakers, en een omscholingscursus kost een half jaar en veel geld waarvan niemand weet wie het moet fourneren. 'Volgens ons het ministerie van sociale zaken, maar het ministerie heeft geen geld.' De werkloosheid wordt vooral veroorzaakt door de daling van de vraag als gevolg van de enorme stijging van de kosten van levensonderhoud: niemand koopt kleren. Lipski: 'Gemiddeld geven de mensen driekwart van hun inkomen aan voedsel uit. Kleding kopen ze niet, dat wordt uitgesteld tot later.'

Daarnaast is er concurrentie uit het Verre Oosten. De geimporteerde textiel, zegt Lipski, is slechter van kwaliteit, maar goedkoper, en dat laatste geeft de doorslag.

De derde oorzaak is de rationalisering binnen de bedrijven. Onder het socialisme, zegt Lipski, werkten we met het valse concept van de volledige werkgelegenheid. Nu wordt er iets aan het probleem van de 'overstaffing' gedaan: overbodige werkkrachten komen op straat te staan. 'In mijn bedrijf is dertig procent van het administratieve personeel ontslagen. Dat is geen ramp voor het bedrijf gebleken, integendeel: het zijn er nog steeds te veel. Bij de spinnerij doen zeven of acht brigadeleiders het werk dat door een of twee mensen kan worden gedaan. Dat geldt voor de hele economie. Bij het bedrijf Vigoprim hier in de stad werken 1.200 mensen van wie maar 540 in de produktie.' Pawel Lipski is niet erg te spreken over de regering. De regering, zegt hij, is uitgegaan van een sterke groei van de werkloosheid, maar doet niets om de schok te dempen. Er is geen sprake van publieke werken, er is geen geld voor omscholing, er is geen stimulering van particulier initiatief, er zijn geen kredieten, er is alleen onduidelijkheid. Solidariteit doet zelf het een en ander, aan sociale hulp, aan cursussen, betaald uit het daarvoor gestichte Burgerfonds van Lech Walensa. Doel is vooral werklozen aan te zetten tot het opzetten van een eigen bedrijfje. Daarvoor is weinig geld nodig, alleen inventiviteit, durf en eigen activiteit en wat basiskennis.

In de textielindustrie van Lodz zullen nog heel wat ontslagen vallen, zegt Lipski, vooral in de sectoren vlas, wol en katoen en in de spinnerijen. Fabrieken zijn hier gigantische gebouwen van tien verdiepingen, het produktieproces begint op de bovenste verdieping en zet zich op elke lagere etage voort. Het zijn bedrijven, zegt Pawel Lipski, die je moeilijk kunt privatiseren en niet kunt opdelen. Hij zucht: 'Je kunt ze alleen maar sluiten.' Dat betekent 60.000 werklozen. Pawel Lipski is ook niet erg te spreken over het arbeidsbureau, want als we het over nodeloze werkkrachten hebben is dat arbeidsbureau een aardig voorbeeld, zegt hij: 'Maar 30 procent van de mensen daar houdt zich met de werklozen zelf bezig. Ze zoeken daar ook geen werk, ze wachten af.'

Wij van Solidariteit, zegt Lipski, hebben een eigen bemiddelingsbureau voor werklozen, we slagen erin 30 procent van de mensen aan werk te helpen. De stemming onder de werklozen is slecht. Velen zijn zwart gaan werken, de enige manier om niet ten onder te gaan. De stemming is dramatisch. Er doemen nieuwe problemen op, de werkloosheid slaat diepe gaten in de solidariteit tussen mensen, zegt Lipski. Een kwart van de mensen met een werkloosheidsuitkering heeft nooit gewerkt. Dat zijn marginalen, zwervers, dronkelappen, die nu een kans op een inkomen krijgen. Ze vangen per maand 120.000 zloty. Dat maakt de echte werklozen woedend, zij hebben hun hele leven hard gewerkt en krijgen nu die zelfde 120.000 zloty. Het arbeidsbureau doet niets om het kaf van het koren te scheiden.

Maar zelfs wie nog werkt heeft het niet breed, in de textielindustrie van Lodz, zegt Lipski: 'Alle reele lonen in Polen zijn gedaald, dit jaar, met 30 procent. Maar in de textiel zijn zelfs de nominale lonen gedaald, want iedereen werkt op stukloon. In januari kreeg ik 600.000 zloty, in februari 480.000, in maart 280.000, in april 260.000 zloty.' Hoe hij leeft? 'Mijn vrouw is gaan werken, parttime, voor 300.000 zloty. En ik heb al mijn reserves verbruikt. Ik heb mijn spaarrekeningen schoongemaakt.'

Hij lacht: er is een troost, hij kan niet worden ontslagen wegens zijn functie bij Solidariteit.

De werkloosheid dwingt in Polen miljoenen tot onder het sociale minimum. Lipski: 'En het gaat snel. Volgens onze berekeningen is tien procent van de Polen rijk: zij zitten ver boven het gemiddelde. Vijftien procent behoort tot de middengroepen, vijftien procent balanceert op de rand van het sociale minimum en de rest, zestig procent van de Polen, zit er inmiddels onder. Twaalf tot vijftien procent van de Polen leeft in wat wij beschouwen als extreme armoede. Kijk naar de drankindustrie. Die wordt anno 1990 met bankroet bedreigd, voor het eerst in het bestaan van dit land. We drinken niet meer, er is geen geld meer voor alcohol, wij, de wereldberoemde Poolse dronkelappen drinken niet meer.' Wie geven de werklozen in Lodz de schuld van hun misere? Niet de regering, zegt Lipski, niet vice-premier Balcerowicz, de architect van de hervormingen. 'De lokale autoriteiten en de bedrijfsdirecties schuiven de schuld graag op de regering. Maar de mensen denken na. In Zgierz staat een confectiefabriek. In Wroclaw staat precies zo'n fabriek, het zijn exacte kopieen. In Wroclaw verdienen de arbeiders per maand 1,5 miljoen zloty, in Zgierz een half miljoen. De fabriek in Wroclaw leent geld aan andere bedrijven, die in Zgierz heeft schulden. In zo'n situatie kan de directeur in Zgierz moeilijk de schuld op de regering schuiven, of op Balcerowicz. Wij hebben allemaal dezelfde regering. Wij hebben allemaal dezelfde Balcerowicz.'