Socialisten en liberalen lonken voorzichtig naar D66; Binnenhof zoekt ideeen

D66 heet het bruidje en er lonken twee kandidaten: de VVD en de PvdA. Althans, mensen uit die partijen hebben een oogje laten vallen op D66. Het is voorlopig liefde van een kant: zelf denkt ze helemaal niet aan een huwelijk. Het gaat electoraal immers nog steeds uitstekend met D66 dus waarom zou zij zichzelf overleveren aan partijen met wie het een stuk slechter gaat? En dan de keuze: of met de PvdA of met de VVD. Zegt dat iets over D66 of over haar aanbidders. Het zegt iets van allemaal: het is een treffende illustratie van het huidige politieke landschap.

Bij de PvdA was het Paul Scheffer, wetenschappelijk medewerker van de Wiardi Beckman Stichting, die de vraag opwierp of niet eens opnieuw over samenwerking met D66 kon worden gesproken. In het decembernummer van Socialisme en Democratie heropende hij de inmiddels al weer bijna twintig jaar geleden afgesloten discussie over de 'Progressieve Volkspartij'. 'Een herbezinning op de verhouding met D66 en (delen van) Groen Links is op z'n plaats. Intensievere samenwerking met behoud van eigen ruimte bijvoorbeeld door geinstitutionaliseerd overleg en eventueel de formulering van een aantal gemeenschappelijke uitgangspunten zou overwogen moeten worden', aldus Scheffer. Want, zo stelde hij, 'Het is een illusie te denken dat de PvdA op eigen kracht ooit een dominante rol zal kunnen spelen in de Nederlandse politiek. Het CDA speelt die rol omdat de christelijke partijen geslaagd zijn daar waar de partijen ter linkerzijde het in de jaren zeventig hebben laten afweten.'

Begin jaren zeventig was de progressieve samenwerking vooral bedoeld om de electorale macht te vergroten. Of, zoals het in een nota uit 1973 van het partijbestuur van de PvdA stond: 'Een van de belangrijkste winstpunten van de progressieve samenwerking is dat door blok- en machtsvorming gevoegd bij een polarisatietactiek een belangrijke aanzet is gegeven voor essentiele veranderingen in het politieke krachtenveld van het land.'

Weliswaar was veelvormigheid een 'voorwaarde' voor het welslagen van een grote vooruitstrevende volkspartij, maar zo waarschuwde het partijbestuur 'die pluriformiteit mag niet leiden tot programatische vervaging en verschuiving naar het veilige midden van de politiek'. De nieuw partij moest dan ook kunnen beschikken over een 'radicaal democratisch socialistisch programma dat is gericht op de verandering van onze maatschappij in anti-kapitalistische zin'.

De discussie over de Progressieve Volkspartij liep in 1973 op dit punt vast. Een meerderheid van het PvdA-congres sprak toen uit dat een dergelijke partij geen 'waarborgen' inhield voor een socialistische identiteit.

Ontzuiling

Als hij het heeft over progressieve samenwerking gaat het Scheffer vooral om nieuwe ideeen te genereren, hoewel ideeen en kiezersgunst nooit los van elkaar staan, (of liever gezegd: zouden moeten staan). In het eerste nummer van het nieuwe weekblad Forum (de opvolger van het volksdagblad De Waarheid, dat begin jaren zeventig nog enthousiast kon verhalen over de vorming van een volksfront) schreef Scheffer begin deze maand: 'Er moet een ontzuilde partij komen die pluriform van karakter is en het vermogen heeft een belangrijk deel van het intellectuele leven in Nederland om zich heen te verzamelen en te interesseren in het meedenken over maatschappelijke veranderingen'. Anders gezegd: het intellectuele debat dat de PvdA ontbeert over allerlei nieuwe vraagstukken, zoals milieu, bestuurlijke vernieuwing, de rechtsorde, zou van anderen moeten komen. Vandaar zijn belangstelling voor D66. Een belangstelling die inmiddels ook is opgewekt bij PvdA partijvoorzitter Sint die onlangs in een interview met het weekblad De Tijd de Progressieve Volkspartij 'een realistische optie', noemde want de verschillen tussen PvdA en D66 zijn volgens haar lang niet meer zo scherp als vroeger.

Om exact dezelfde reden als die Scheffer aangeeft, de ideeenrijkdom en het intellectueel gehalte van D66, pleiten geestverwanten van de VVD voor een samengaan tussen VVD en D66. De Groningse emeritus-hoogleraar economie F. Hartog hanteerde in een artikel in deze krant, dat nota bene verscheen op de dag dat de partijtop van de VVD fractieleider Voorhoeve de raad gaf eens over zijn positie na te denken, een puur pragmatisch argument: 'D66 heeft een inspirerende leiding, de VVD niet.'

Daar stond dan tegenover dat de VVD een 'veel duidelijker' economisch programma heeft dan D66. Hij noemde D66 in zeker opzicht de voortzetting van de VVD van Oud die hij kwalificeerde als een 'opinieleider op het gebied van staatkundige vormgeving'.

Die , profetenmantel' was overgenomen door Van Mierlo. Daarna volgde een artikel van oud VVD-senator Zoutendijk in Liberaal Reveil, die ook al sprak over een fusie tussen VVD en D66. 'Voor het intellectuele gehalte van het Nederlandse liberalisme zou dit wel eens een heilzame ontwikkeling kunnen zijn', aldus Zoutendijk.

De laatste die zich in het koor van een liberaal samenwerkingsverband schaarde was de oud-hoogleraar sociologie Van Doorn die vorige week in zijn column op deze pagina D66 en VVD aansprak op hun liberale geweten. 'Wat de drie confessionele partijen aan het eind van de jaren zeventig is gelukt - fuseren ondanks vele principiele punten van verschil - moet in de jaren negentig haalbaar zijn voor de twee liberale partijen met hun veel pragmatischer politieke filosofie.'

'Lichtelijk bizar'De uitverkorene zelf, D66, aanschouwt de van vele kanten getoonde interesse enigszins geamuseerd. 'Lichtelijk bizar', noemde politiek secretaris van D66 Jeekel de discussie over een progressieve volkspartij. En Ernst Bakker, oud campagneleider van D66 schreeft deze week in de Volkskrant over samenwerking met de VVD: 'Dat hoeft niet, dat moet niet en dat mag al helemaal niet. De verschillen zijn daar wezenlijk te groot voor.' Het opmerkelijke is nu juist dat het met die verschillen puur op basis van partijprogramma's wel meevalt. Dat is ook het referentiekader van mensen als Scheffer aan de ene kant en Van Doorn en de zijnen aan de andere kant. De verschillen komen pas werkelijk aan het licht in de dagelijkse politieke praktijk. Bijvoorbeeld: in hoeverre is men bereid het standpunt over euthanasie ten behoeve van samenwerking met het CDA aan te passen? Bovendien lijkt de interesse voor D66 uit PvdA- en VVD-kring net zo conjunctureel als D66 zelf. Want als er nu sprake is van een instabiele factor in de Nederlandse politiek is dat wel D66. De partij danste sinds de entree in de Tweede Kamer in 1967 tussen de zes en de zeventien zetels; in de polls zelfs tussen de twee en de twintig zetels. Nu gaat het toevallig goed met D66, maar voor het waarom daarvan bestaat geen ondubbelzinnige verklaring. Het partijkader van D66 stelt vergeleken met PvdA en VVD kwantitatief nauwelijks iets voor. In sommige plaatsen vormt het complete afdelingsbestuur van D66 bij gebrek aan voldoende leden nu tevens de gemeenteraadsfractie. Bovendien blijft de steeds terugkerende, maar cruciale vraag: wat gebeurt er met D66 na Van Mierlo.

Moet van deze partij nu echt de redding komen voor de PvdA dan wel de VVD? PvdA-voorzitter Sint zei in De Tijd: 'De oude scheidslijnen tussen politieke partijen en stromingen zijn niet meer helder. Het probleem is nu dat er geen nieuwe scheidslijnen voor in de plaats zijn gekomen.'

Het opkopen van andermans ideeen, want dat is een samengaan met D66 toch in feite, is dan pas echt een vertoning van intellectuele armoede.