Oost-Europa: wel weer antisemieten, maar nauwelijks nog joden

ROTTERDAM, 19 mei - Het Oosteuropese antisemitisme, zoals dat de afgelopen maanden in toenemende mate de kop opsteekt, is een antisemitisme zonder joden. Van de in sommige streken rijke joodse cultuur aan het begin van deze eeuw is weinig of niets overgebleven: 4400 joden in Polen (3,3 miljoen in 1939), 70.000 in Hongarije (403.000 in 1939), 21.500 in Roemenie (850.000 in 1939), 8200 in Tsjechoslowakije (315.000 in 1939), 2500 in de DDR en zo'n 3200 in Bulgarije (voor de oorlog 50.000). Aan het begin van de eeuw, voordat de grote - volgens modern onderzoek voornamelijk door economische motieven ingegeven uittocht begon - heette antisemitisme wel 'socialisme van de armen', omdat het uitging van een veronderstelde greep op de economie door een rijke joodse samenzwering. De samenzwering is gebleven, maar van inhoud veranderd. Antisemitisme manifesteert zich nu in Oost-Europa meestal als fanatiek anticommunisme. Wat daarbij onder joden moet worden verstaan blijft meestal onduidelijk. De Poolse, nationalistische Grunwald-beweging publiceert in haar interne bulletins regelmatig 'ware namen' van vooraanstaande politici. Zo zou premier Mazowiecki eigenlijk 'Mazower' heten, en generaal Jaruzelski 'Jeruzalemski'.

Op de muur van de universiteit in het Roemeense Boekarest staat op de muur gekalkt: 'premier Roman is geen Roman' (bedoeld wordt geen Roemeen). Leuzen kalken, graven schenden, en roddelen - dat zijn anno 1990 de voornaamste activiteiten van Oosteuropese antisemieten. In de DDR, Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije hebben rebelse jongeren in de skinhead-beweging het antisemitisme als thema ontdekt, maar verder is bijna overal openlijk antisemitisme een zaak van kleine, extreem-nationalistische groepen en groepjes in de marge van de politiek. Zij zoeken na decennia socialisme hun heil bij autoritaire, politieke filosofien uit de jaren dertig, waarin antisemitische ideeen een grote rol speelden. Iets anders is, dat af en toe ook wel eens een prominent politicus zich verspreekt.

Polen

In Polen bijvoorbeeld, waar primaat Glemp zich vorig jaar liet ontvallen dat 'joden alomtegenwoordig zijn in de media'.

Een aantal antisemitische bewegingen hield eerder deze maand in het Cultuurpaleis in Warschau een heus congres, hun knokploeg van skinheads ging aan de ingang op de vuist met tegenbetogers. Binnen waren er enthousiaste toespraken, en werd gevent met de 'Protocollen van Zion'.

Dat is een befaamde falsificatie van de Russische tsaristische politie, waaruit de joodse wereldsamenzwering zou blijken, en die - niet alleen in Polen - nog altijd goede diensten bewijst. De vakbeweging Solidariteit was vanaf haar ontstaan in 1979 een coalitie tussen arbeiders, katholieken en de dissidentenbeweging, waarbij de laatste zoals elders in Oost-Europa haar wortels heeft in joods-intellectuele tradities. Vakbondsleider Lech Walesa heeft zich door de jaren heen scherp afkeurend uitgelaten over diegenen onder zijn volgelingen, die van antisemitisme een programmapunt wilden maken en dat is ook niet gebeurd. Minder dan in andere landen zou het in Polen ook voor de hand liggen in het communisme een vorm van 'joods bewind' te zien, want de Poolse communisten hebben in de jaren vijftig en zestig hun rijen grotendeels zelf gezuiverd van communisten van joodse origine.

Anders

Anders ligt dat in Roemenie waar, net als overal elders in Oost- en West-Europa, zich in de eerste helft van deze eeuw relatief veel joden in het communisme de weg naar assimilatie en gelijkberechtiging zagen. Relatief veel communistische leiders, vooral in de periode van het stalinisme kort na de oorlog, waren dus van joodse origine. Aangezien het thans regerende Front van Nationale Redding voor een aanzienlijk deel uit voormalige communisten bestaat, valt er voor de Roemeense antisemieten veel met de vinger te wijzen. Van de drie presidentskandidaten heeft alleen Ion Ratiu (Nationale Boerenpartij) gepoogd dit thema uit te buiten met opmerkingen in het openbaar dat 'echte Roemenen in onze geschiedenis nog nooit iets voor het communisme hebben gevoeld'.

Aan de geloofwaardigheid van dit argument wordt echter ernstig afbreuk gedaan door een opvallende uitzondering: Nicolae Ceausescu, verreweg de impopulairste dictator uit de Roemeense geschiedenis, en een onversneden Roemeen. Als er al iets is wat Roemeense antisemieten Ceausescu kunnen verwijten, dan diens goede betrekkingen met Israel. De waarschuwende woorden van opperrabijn Mohses Rosen van Boekarest dezer dagen over herlevend antisemitisme worden ook door joodse Roemenen met grote gene ontvangen. Rosen behoorde, net als de orthodoxe primaat Teoctis overigens, tot de voornaamste geestelijke kopstukken van het in december gevallen regime.

Oude thema's

Er is maar een land in Oost-Europa waar de kwestie van antisemitisme in het middelpunt van de politieke belangstelling staat: Hongarije. De verkiezingsstrijd in maart tussen het Hongaars Democratisch Front (MDF) en de Alliantie van Vrije Democraten (SzDSz) is door veel Hongaren - instemmend of met afkeer - gezien als een strijd tussen de 'echte Hongaren' van de MDF en de joodse intelligentsia - verenigd in de partij die in veel opzichten de voortzetting is van de dissidentenbeweging van de jaren zeventig en tachtig. De 'joodse kwestie', zoals dit onderwerp met de toenemende persvrijheid in de jaren tachtig in Hongarije al steeds genoemd werd, was in maart in ieders gedachten, zij het niet op ieders lippen. In die debatten keren oude thema's uit de vooroorlogse Hongaarse ideeen-geschiedenis terug, zoals de veronderstelling dat op het platteland wonende Hongaren van de Hunnen afstammen, afgezet tegen de verdorven ('verjoodste') mentaliteit van de inwoners van de hoofdstad Boedapest. De opmerking waarmee MDF-voorman Istvan Csurka in een radio-uitzending 'de joodse kwestie' openlijk als verkiezingsthema introduceerde, kan door haar nationalistisch karakter, en ook door het feit dat het woord 'jood' er niet in voorkwam gelden als een prototypische uitspraak voor hedendaags Oosteuropees antisemitisme: 'Ontwaakt Hongaren! Zolang een kleine minderheid accepteert dat haar geloof het enige ware is, zal het Hongaarse volk in eigen land niet gelukkig kunnen leven.'