'Liquidatie', zei hij, 'is de beste optie'; In dienst van degeheime politie

Kazimierz Sulka werkte voor de geheime politie van Polen. Lang genoeg om vertrouwd te raken met de vuilste kneepjes van het vak. Sulka moest bereid zijn tot alles - zelfs tot moord. Zijn medeburgers - ook priesters - hielpen hem als informanten bij zijn treurige praktijken. Zo hield het socialisme zich in elke Poolse stad en elk dorp staande. Een verhaal over chantage, verraad en liquidatie.'Ik heb gezegd: ik doe het niet, ik kan het niet, ontsla me maar. Maar het is gemakkelijker bij de geheime politie te komen dan er weg te gaan. Ontslag was er niet bij. Een steen was genoeg, zei mijn chef, een steen door de voorruit van die priester, op een bochtige bergweg. Verder hoefde ik me er alleen maar van te overtuigen dat hij dood was. Ik ben nog een paar keer met een zak stenen op weg gegaan, maar ik kon het niet.' Kazimierz Sulka is 34 jaar, een kolossale man met een blozend gezicht, rossig haar en blauwe ogen. Hij loopt op sloffen door zijn woonkamer en sleept koffie aan, mineraalwater en sigaretten - een reus, maar lenig en snel. ' Toen ik bij de ZOMO werkte, de oproerpolitie', zegt hij, ' hebben ze eens gemeten met wat voor kracht ik mijn knuppel sloeg: 350 kilo, dat was heel wat, er waren er die 400 kilo haalden, maar veel waren dat er niet.' We praten over de SB, de veiligheidsdienst, de Poolse geheime politie. Anderhalf jaar heeft Sulka daar gewerkt, in Sucha Beskidzka. Anderhalf jaar en een gewetensconflict lang: over die priester die door hem moest worden vermoord.

Sucha Beskidzka is een slaperig dorp met zesduizend inwoners in de Karpaten, twintig kilometer achter Wadowice, de geboortestad van de paus, en niet ver van de grens met Tsjechoslowakije. Een dorp in het middelgebergte met veel bos, landbouw en vriendelijke riviertjes in de dalen. Een handvol huizen tegen de helling, een kerk, een fabriekje waar 115 mensen werken, een hoofdstraat met grijze gebouwen, af en toe de trein van Zywiec naar Krakow die zijn komst aankondigt met een wanhopige gil die tot in de verste uithoeken van het dorp hoorbaar is. Op het dorpsplein is een festival van volksmuziek aan de gang. Meisjes inlichtblauwe schorten met vlechten en linten in het haar, jongens met zwarte platte hoeden, als helmen van vilt. Drie taxichauffeurs kijken er verveeld naar, hun deuren open, wachtend op een klant. In veel tuinen staan glazen kastjes met een Christus- of een Mariabeeld, en stapels brandhout, keurig op maat gezaagd, onder een houten afdak.

Promotie

Een dorp met geheime politie? Jazeker. Kazimierz Sulka had twee jaar bij de ZOMO in Lodz en tien jaar bij de spoorwegpolitie in Rybnik gewerkt toen hij hier in 1985 kwam. Hij wilde dichter bij Zawoja wonen waar hij vandaan kwam - dertig kilometer van hier. ' De kaderafdeling in Bielsko Biala, de provinciehoofdstad, vertelde me dat alleen de SB, de geheime politie, op mijn niveau - inspecteur - iets te bieden had. Ik heb ja gezegd, ik wist niets van de SB. De gewone politie weet al even weinig van de geheime politie als iedereen, je hebt als politieman geen recht vragen te stellen over de SB. Maar iedereen weet: een overplaatsing naar de geheime politie is een geweldige promotie.' Zo kwam Sulka in Sucha Beskidzka. ' Vijftien agenten had de SB in dit dorp', zegt hij, ' die alle soorten onderzoek uitvoerden en iedereen in de gaten hielden. Ze verzorgden de bescherming van de plaatselijke nomenklatoera, ze zochten naar sporen van oppositie, bij de kerk, bij Solidariteit. Ze hielden de intellectuelen in de gaten, de onderwijzers, de juristen, de jeugdorganisatie. Elk van die vijftien agenten had een netwerk van ten minste vijftien informanten. Er werkten in dit dorp dus zeker 225 mensen voor de geheime politie. ' Niet dat fabriekje was de grootste industrie hier, dat waren wij.'

De gewone politie en de ORMO (reservepolitie) hadden ieder hun eigen netwerk van informanten. Dan waren er nog de OZ (vertrouwensmensen, op incidentele basis in te schakelen) en de partij-activisten. Zo zat onder het socialisme in Polen elk dorp, elke wijk en elke stad gevangen in een vijfvoudig netwerk: de totale controle die verklaart hoe het socialisme zo lang stand kon houden. Sulka: ' Een mens slipt wel eens door een zeef, maar geen enkel mens slipt door vijf zeven.' Sulka kwam bij afdeling IV te werken, die zich bezighoudt met de controle van de kerk. Hij kreeg een opleiding, al wist hij al veel dankzij zijn politieverleden. Hem werd verteld dat je bij de SB anders dan bij de gewone politie met 'witte handschoenen' opereert: je moet voorzichtig zijn, want je werkt met intellectuelen, en als de zaak in de openbaarheid komt, dan word je door je superieuren niet gedekt.

Hij was verantwoordelijk voor de kerk in het hele dekenaat: achttien parochies met 52 priesters. Hij bouwde er zijn eigen netwerk van verklikkers en informanten op, veelal met chantage en dreigementen. Hij liet hen infiltreren in kerkelijke organisaties, en ging met een minirecorder naar de kerk om de preken op te nemen. Als een priester te ver ging, werd er ook wel eens geweld gebruikt. Acht van de informanten waren zelf priester. ' Soms', zegt Sulka, ' was het best gezellig. Je kreeg wijn als je erheen ging, en je hielp hen schaars bouwmateriaal te vinden. Je gaf hun benzinebonnen. In ruil kreeg ik alle informatie, zoals documenten van het episcopaat. Sommige informanten waren pastoors, die zorgden er wel voor dat de kapelaans niet aan politiek deden.'

Het dorp vermoedde wel dat de nieuwkomer bij de geheime politie werkte, maarniemand wist bij welke afdeling, zelfs de gewone politie niet.' Er was in de begintijd een verrassing', zegt Sulka. ' Op papier zagen de SB-instructies er aardig uit, alles leek legaal. Maar mijn chef van de SB in dit dorp, luitenant Marek Kecki, zei me al meteen dat de SB zich noch aan de wet, noch aan de grondwet houdt. En hij gaf de voorbeelden erbij: als ik een verkeersongeluk zou zien waarbij een buitenlander was betrokken, bestond mijn eerste taak niet uit het helpen van gewonden, maar uit het stelen van zijn paspoort, op zo'n manier dat de politie niets zou merken. Bij een verkeersongeluk waarbij een priester was betrokken, moest ik hem ongemerkt een open verpakking met condooms toestoppen, opdat de politie die vond en dat in het protocol vermeldde. Daarmee kon die priester dan later worden gechanteerd. Mijn agenten voerden priesters dronken en lieten hen achter in openbare gelegenheden. Zo zag onze strijd tegen de kerk er uit. Alle middelen waren geoorloofd, je moest je alleen nooit laten pakken.'

Plan de campagne

De grootste zorg van de SB gold politieke priesters. Sulka kreeg bezoek van een kolonel met een lijst van 150 van zulke priesters. Bisschop Tokarczuk stond erop, pater Jankowski uit Gdansk, Malkowski uit Warschau, de priesters Zych en Niedzielac die beiden later zijn vermoord. ' De kolonel was heel fel, hij zei dat we die priesters zonder enige vorm van genade moesten bestrijden. Adolf Chojnacki stond ook op de lijst. Hij werkte in Krakow, gaf in zijn kerk onderdak aan politieke hongerstakers.' ' Van de arrestatie van de moordenaars van de priester Jerzy Popieluszko, eind 1984, had de SB niets geleerd', zegt Sulka. Er waren vier SB-officieren gepakt en veroordeeld, maar over de zaak-Popieluszko werden bij de SB alleen maar grappen gemaakt. Voor Sulka begonnen de problemen in februari 1986, toen Adolf Chojnacki naar Juszczyn werd overgeplaatst, twintig kilometer van Sucha Beskidzka. Het was een van de achttien parochies waarvoor Sulka verantwoordelijk was. Sulka werd naar Bielsko Biala ontboden, bij de provinciale chef van afdeling IV van de SB, kolonel Stanislaw Kalat. ' Hij zei me me helemaal op Chojnacki te concentreren, alle informatie te verzamelen, ook over zijn omgeving. Hij zei: we moeten hem eens flink knijpen.'

Kalat stuurde een ervaren medewerker, inspecteur Wieslaw Wiewiorka, naar Sucha Beskidzka. Sulka: 'Met hem heb ik een plan de campagne tegen Chojnacki gemaakt. Dat wil zeggen: hij dicteerde, ik schreef. Ik moest dat mijn chef, luitenant Kecki, overhandigen. Dat heb ik gedaan, Wiewiorka verdween, en het plan was opeens mijn plan geworden.' Het eerste punt van het plan betrof de verspreiding van valse geruchten over Chojnacki in Juszczyn. De priester zou geestesziek zijn en overgeplaatst naar Juszczyn als straf voor de verwaarlozing van zijn pastorale werk. Hij zou bovendien een Westerse agent zijn die voor dollars werkte. Het tweede punt betrof een briefkaart die Chojnacki zou worden toegestuurd na geruime tijd in Juszczyn te hebben gecirculeerd, zodat veel mensen de tekst konden lezen. De kaart was zogenaamd geschreven door de moeder van Chojnacki's kind en bevatte een verzoek om geld. Sulka: ' Natuurlijk was er geen kind en geen moeder. Die briefkaart was zo primitief dat ikzelf er de zwakke punten uit kon halen. Maar toen ik dat tegen mijn chef Kecki zei, lachte hij me uit: als er klachten zouden komen, kwamen die bij ons terecht, en wij zouden er wel weg mee weten.' Het derde punt bestond uit pesterijen: de telefoondraden van Chojnacki's pastorie zouden worden doorgesneden, zijn huis zou worden beklad, zijn ramen beschilderd en zijn honden vergiftigd. Bovendien zouden de gemeentelijke diensten, de gezondheidsdienst en de brandweer op Chojnacki worden afgestuurd om hem het leven zuur te maken.

Als dat alles niet zou helpen, moest het vierde en laatste punt van het plan de campagne een oplossing bieden: moord, door 'het veroorzaken van een ongeval waarbij Chojnacki om het leven zou komen'. Sulka: ' Zo stond het er letterlijk. Ik ben heel erg geschrokken. Ik ben naar Kecki gegaan: zijn ze nu gek geworden in Bielsko Biala? Wij moeten dit plan uitvoeren. Ik moet het uitvoeren!' Het hielp niet. ' Kecki lachte me uit, vroeg of ik wist waar ik werkte.'

Liquidatie

Weken later werd Sulka bij Kalat, de chef in Bielsko Biala, geroepen. De eerste drie punten van het plan waren toen al uitgevoerd, inclusief de briefkaart en de vergiftiging van de honden. Sulka: ' Kalat gaf me toen de opdracht punt vier uit te voeren. Chojnacki moest worden geliquideerd. Zo zei hij het: geliquideerd. Die optie, zei hij, was het beste, voor de SB en voor mij.'

Juszczyn ligt in de bergen, in een gebied vol smalle wegen, kloven en viaducten. Een steen door de voorruit van Chojnacki's Trabant zou genoeg kunnen zijn. ' Kalat wees me erop dat ik mijn taak ook moest afmaken, de priester mocht in geen geval wegkomen. Als hij het ongeluk zou overleven, moest ik het werk met een steen afmaken.' Protesten baatten hem niet. Ontslag nemen was er niet bij. ' Ik wist te veel, ze zouden ook mij kunnen vermoorden. Ik ben nog een paar keer naar de bergen gegaan, met een zak stenen. Maar ik kon het niet. Ik heb overplaatsing gevraagd, en vervolgens ontslag genomen, maar het werd niet geaccepteerd.' Op 30 november 1986 stapte Sulka naar zijn chef, luitenant Kecki. Hij vertelde hem dat hij niet zou terugkomen, en dat hij alle illegale SB-acties tegen de priester zou onthullen. ' Kecki's enige antwoord was: we zullen je vernietigen.' Op 10 december 1986 werd Sulka gearresteerd en beschuldigd van diefstal van een hekwerk. Uit zijn cel smokkelde hij brieven naar de procureur en naar Chojnacki, waarin hij de toedracht van zijn arrestatie uiteenzette en om hulp vroeg. Een van die brieven werd in april 1987 onderschept. De SB kwam Sulka opzoeken met het dreigement dat het onthullen van SB-geheimen hem tien jaar gevangenisstraf kon kosten. De procureur opende een nieuw onderzoek: Sulka werd formeel beschuldigd van het belasteren van de SB. In juni 1988 werd Sulka wegens diefstal veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf. In hoger beroep volgde vrijspraak wegens gebrek aan bewijs, maar op de dag van zijn vrijlating werd hij gearresteerd en in staat van beschuldiging gesteld wegens belastering van de geheime politie. Op 10 oktober 1988 werd hij daarvoor tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld. Het vonnis werd vijf maanden later in hoger beroep terugverwezen.

Vriendschap

Anno 1990 is de SB ontmanteld, maar het proces tegen Sulka loopt nog steeds. Onder de getuigen die hij voor de komende zitting heeft opgeroepen, bevindt zich de priester Adolf Chojnacki. ' Ik heb vriendschap gesloten met Chojnacki', zegt Sulka. ' Na mijn vrijlating zijn mijn vrouw en ik voor de kerk getrouwd, en hij heeft het huwelijk ingezegend.' Hij laat de foto's zien: de blozende reus, een blonde vrouw, een tanige priester.

Kazimierz Sulka werkt sinds kort als mijnwerker, in Pszczyna, honderd kilometer van hier. Hij reist elke dag heen en weer, want uit Sucha Beskidzka wil hij niet weg. Kolonel Stanislaw Kalat, chef van afdeling IV van de geheime politie in Bielsko Biala, is inmiddels met pensioen gmgaan. Luitenant Marek Kecki, chef van de geheime politie, werkt nog steeds in Sucha Beskidzka, al weet niemand als wat.

Sulka hijst zijn massale gestalte uit zijn stoel en schenkt nog eens koffie in. Zijn huiskamer oogt niet als die van een ex-lid van de geheime politie: aan de muur de Zwarte Madonna, een kruisbeeld, een paaslam van keramiek in de vensterbank. Sulka: ' Ik ben altijd gelovig geweest. Als SB-agent ging ik met mijn minirecorder naar de kerk om de preek op te nemen. Dat wil zeggen: ik zette het apparaat aan en begon te bidden.' 001