Kasteloze lijfeigenen moeten het zwaar ontgelden in India

NEW DELHI, 19 mei - Ze is bijna nog een kind en vier maanden zwanger. Haar zware accent verraadt haar afkomst en haar achtergrond: Kuchchi Devi is een Chamar uit Sato Dharampur, een klein stoffig gehucht in de uitgestrekte vlakten van de Gangesvallei. De Chamars zijn zo 'smerig' em zo laag dat ze zelfs buiten de strakke hierarchie vallen van het Indiase kastenstelsel.

Kuchchi was in december vorig jaar naar het dorp gekomen, nadat zij was getrouwd met Dhanraj. Omdat zij Chamars waren moesten ze buiten de dorpsgrenzen wonen. De outcasts doen het vuile werk, en werken als landloze arbeiders, volkomen afhankelijk van een goede oogst en de grillen van de landbezittende boeren.

Dhanraj was net als veel andere Chamars zo arm dat hij niet in leven kon blijven van alleen zijn baan. Hij moest geld en voedsel lenen van zijn landheer, Arjun Singh, en legde zich vast voor eerst vijf, toen tien en daarna twintig jaar werk: in feite werd hij een lijfeigene, of zoals dat in India heet een 'gebonden arbeider'. Kuchchi Devi is naar Delhi gekomen om een verhaal te vertellen. Dit is op zichzelf al bijzonder, vooral voor een jonge weduwe als zij. Zij schaamt zich en wil niet graag praten. De verlegen manier waarop zij haar gezicht bedekt met een slip van haar sari toont dat zij een van die miljoenen Indiers is die, gedwongen door het kastenstelsel en de traditie, hun lijden in stilte dragen.

Een vriendin, Krishna Rawat, hoorde wat haar was overkomen en wilde dat men haar verhaal aanhoorde - niet omdat het zo uitzonderlijk was, maar omdat het volgens haar juist zo gewoon is.

Nadat Kuchchi een paar maanden geleden naar het hutje van haar echtgenoot was verhuisd, maakte Arjun Singh, de rijke landeigenaar van de Thakur (de landbezittende kaste), Dhanraj duidelijk dat Kuchchi nu ook deel was van Arjuns bezit, omdat haar man immers een gebonden arbeider was. Dhanraj protesteerde een paar keer, maar toen hij voor de derde keer protesteerde verloor Singh zijn geduld.

Op 5 april 1990 ging hij met zijn zoons en neven naar de hut van Dhanraj en sleepte hem mee naar een leegstaand huis. En, zo vertelt Kuchchi monotoon, 'zij sloegen hem en gooiden een blik petroleum over hem heen, en Raju Singh, een van de neven, gooide een brandende lucifer op mijn echtgenoot. We hadden ons achter een muur verstopt en konden geen woord uitbrengen en zagen dat hij in de vlammen omkwam'.

Maar Dhanraj bleek niet dood te zijn. Zijn vader en zijn broer brachten hem vervolgens met paard en wagen naar het politiebureau waar zij om een jeep vroegen om naar de plaatselijke medische hulppost te gaan.

De politie hield hem daar zes uur vast. Kuchchi en haar schoonfamilie moesten Arjun Singh aanhoren, die hen had ingehaald en die de politie vertelde hoe het een poging tot zelfmoord moest lijken. De broer werd gedwongen om zijn duimafduk op een blanco vel papier te zetten, waar later op werd geschreven dat Dhanraj dronken was en zelfmoord had gepleegd. Toen Dhanraj tenslotte toch stierf, probeerde de familie Singh het lichaam snel af te voeren. Tegen die tijd waren er echter functionarissen uit de stad Fatehpur gearriveerd en werd er een correcte lijkschouwing geregeld. De politie zei tegen Kuchchi dat zij terug moest gaan naar haar dorp.

Men was er zeker van dat zij zou zwijgen. Ze was namelijk dubbel onteerd: niet alleen was zij weduwe (in de dorpsgemeenschap in India moet de vrouw voor of gelijktijdig met haar man sterven), maar zij was ook onteerd door de avances van een Thakur, ook al had die haar niet eens aangeraakt.

Krishna Rawat besloot vervolgens om Kuchchi mee naar New Delhi te nemen, om twee redenen: Fatehpur is het kiesdistrict van minister-president V. P. Singh en bovendien is V. P. Singh zelf een Thakur. Het was niet de bedoeling de naam van de minister-president te bezoedelen. Maar, zo dacht zij, deze samenloop van omstandigheden zou heel even de aandacht richten op een alledaagse gebeurtenis zoals er duizenden andere verhalen van Kuchchi's en Dhanrajs zijn, die niet worden verteld.

Zou de premier die bij de Thakurs en andere Hindoekasten in hoog aanzien staat, zich niet kunnen uitspreken tegen de gewelddaden die dagelijks in zijn land plaatshebben? De afgelopen twee dagen hebben zij geprobeerd het kantoor van de minister-president te bereiken. 'Als we opbellen en zeggen dat we uit Fatehpur komen, wordt de lijn verbroken.'

    • Bernard Imhasly