Huiverend lachen om Hedda Gabler als hol en valspulpverhaaltje

Han Kerckhoffs komt op en zet de toon voor Hedda Gabler van Henrik Ibsen in de opvatting van Frans Strijards. Hij speelt tante Jula, een lieve vrouw die overloopt van christelijke zelfopoffering. Daar gelooft Strijards helemaal niet in. Derhalve verschijnt Kerckhoffs als een kromgegroeide oude heks, wier gebrekkige motoriek bepaald wordt door haar wandelstok. Ze zwaait er vervaarlijk mee, wanneer ze op boze toon haar menslievende opvattingen verkondigt. Tegelijkertijd probeert ze zich staande te houden en komt zo in de onmogelijkste poses terecht. Dit heeft een uiterst komisch effect.

Strijards weigert aan te nemen dat de personages uit Hedda Gabler menen of voelen wat ze zeggen. Hun omgang is hol en vals, waardoor het drama een verkitscht pulpverhaaltje wordt. Er is helemaal niemand die ook maar een spoor van oprechtheid aan de dag legt. De figuren weten daarentegen heel goed hoe ze het moeten zeggen, met welke lichaamshouding, gezicht en intonatie. Ibsens personages kennen hier precies het effect van hun gedrag. Zijn het gewetenloze toneelspelers, voor wie geen filmstercliche, geen schmiere, geen kleedkamergrol te min is? Of zijn het machteloze krankzinnigen? Het is of ze geen eigen wil hebben, maar voortgedreven worden door de primitieve dwangmatigheid zich aan te stellen. Ze weten niet wie ze zijn, het interesseert ze niet. Het zijn net kinderen, maar gespeend van elke kinderlijkheid. Ze steken een paar keer opvallenderwijs hun eigen of elkaars vingers in de mond, eenmaal zelfs een hele handschoen. Een verwijzing naar orale fixatie uit de wieg? En er is een momentje, waarop iemand beseft dat hij alleen is en nergens meer naar toe kan.

Deze Hedda Gabler speelt zich af in een Apollolaan-salon in art deco-stijl. Het plafond strekt zich uit boven de tribunes aan weerszijden van de speelvloer, zodat het lijkt of het publiek ook in die salon zit. Dit heeft een geraffineerd effect. De spelers gebruiken elke truc die de goede smaak verboden heeft: kluchtwerk, slapstick, imitatie, mannetjesmakerij, noem maar op. Niets wijst er echter op dat ze dit doen om het publiek terwille te zijn, noch om elkaar te vermaken. Deze personages zijn volstrekt humorloos. Intussen lacht de toeschouwer zich een kriek, bijna volautomatisch, zo knap gemeten en doordacht speelt het voortreffelijke ensemble. Juist doordat het publiek zich op visite voelt, kan ons gelach iets huiveringwekkends krijgen.

Het gevaar bestaat dat de toeschouwer naar huis gaat met het idee een hoogst amusante avond te hebben gehad. De grappen houden niet op. Tegen het einde kreeg ik het gevoel dat de toon daar had moeten omslaan. Het verbranden van een manuscript (een geesteskind), de zelfmoord van Lovborg, die van Hedda, dat zijn voor mij geen lachwekkende zaken meer hoe belachelijk de personages ook worden voorgesteld. Ibsen lezen op de raillerende manier van Strijards mag van mij. Hedda Gabler is sterker dan haar interpreten en er zit toch iets van een draak in. Maar om de dood lachen, nee, dat lukt me niet. De dood pakt iedereen, ook valse, holle, infantiele mensen en andere toneelspelers.

Voorstelling Hedda Gabler van H. Ibsen door Art en Pro. Vertaling Karst Woudstra, decor en costuums Stans Lutz, regie Frans Strijards, spelers Marieke van Leeuwen, Wim van der Grijn, Els Ingeborg Smits, Theo Pont, Paul Hoes, Han Kerckhoffs, Jes Vriens. T/m 2/6 Frascati Amsterdam (beh.zo).