'HET HUIS DER DODEN' IN TSARISTISCH RUSLAND

Er zijn de afgelopen anderhalve eeuw maar weinig Europese landen geweest waar zelfs formeel geen enkel respect is opgebracht voor het principe dat de burger rechten heeft. Zelfs in het Duitsland van Hitler, het Italie van Mussolini, het Spanje van Franco, in Stalins Sovjet-Unie, in de Midden- en Oosteuropese landen van de jaren dertig en vijftig en in Ceausescu's Roemenie waren mensen- en burgerrechten althans pro forma nog ondergebracht in de grondwet, in de strafwet en in internationaal aangegane verplichtingen. Dat die principieel gegarandeerde rechten door de heersende dictator of tiran in de praktijk met voeten werden getreden was een andere zaak: er was wel degelijk een formele erkenning van de burgerrechten en de burger kon zelfs in Stalins Sovjet-Unie verhaal halen bij een rechtbank en daar soms zelfs gelijk krijgen.

Het grote anachronisme was die afgelopen honderdvijftig jaar het tsaristische Rusland. Daar is nooit sprake geweest van de erkenning dat de burger rechten heeft die ten koste (zouden kunnen) gaan van het absolute gezag van de overheid. Zelfs in de wetgeving van 1906, die de tsaar werd afgedwongen na de rampzalige oorlog tegen Japan en de revolutie van 1905, en die te boek staat als de verstgaande concessie van het tsaristische bewind op het gebied van de burgerrechten, wordt al in het eerste hoofdstuk gesteld dat 'de Al-Russische Tsaar de Opperste Autocratische Macht toekomt' en dat onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan zijn macht een uitvloeisel is van Gods wil.

In Civil Rights in Imperial Russia, een bundel essays van veertien in Engeland, de Verenigde Staten en West-Duitsland docerende hoogleraren die de neerslag vormt van een conferentie over de burgerrechten in het tsaristische Rusland vanaf het begin van de negentiende eeuw, wordt duidelijk gemaakt met hoeveel halsstarrigheid en tot welke mate het autocratische bewind tot 1917 bleef vasthouden aan die door God gegeven almacht. Burgerrechten hebben nooit bestaan: er waren hoogstens privileges, die werden gegeven en die weer konden worden ingetrokken, en waar privileges werden gegeven dienden ze in de eerste plaats de verdere consolidering van de macht. Dat gold in wel zeer sterke mate voor het eigendomsrecht. Richard Wortman stelt in zijn essay dat, toen Catharina de Grote in 1785 de adel dat eigendomsrecht toekende, zij een Westers concept toepaste dat in het Russische verleden geen wortels had. ' Vanaf het begin werd het recht op eigendom geassocieerd met de consolidatie van de macht van de adel over de boeren.'

Dat gold ook in de praktijk: ' De eigenaar van boeren diende als agent van de staat door juridische, politie- en belastingtaken uit te oefenen. De regering van haar kant zette het leger in om de landeigenaar te beschermen tegen onrust en geweld van de boeren. In die zin bleef bezit een attribuut van de macht.' MACHTSMONOPOLIEBovendien, zo stelt Wortman, zijn aan het eigendom van land nooit politieke rechten verbonden: de keizer beschermde het eigendomsrecht van de adel, maar hield vast aan zijn machtsmonopolie. In 1862 herinnerde tsaar Alexander, boos over eisen van de adel, er nog eens aan dat hijzelf het exclusieve recht op initiatief bij hervormingen had: ' Geen enkele klasse heeft het recht te spreken in naam van andere klassen. Niemand is geroepen Mij petities aan te bieden over het algemeen welzijn en de behoeften van de staat.' In principe is dat standpunt tot 1917 niet veranderd. Waar sprake was van vrijheden waren ze eerder te danken aan de onmacht van het bewind haar gezag overal in het gigantische Rusland af te dwingen of aan haar gebrek aan belangstelling om het overal in gelijke mate op te leggen dan aan werkelijke concessies.

Zo toont Raymond Pearson in zijn essay over de behandeling van de etnische minderheden in het tsaristische Rusland aan dat de genadeloze onderdrukking van vooral de Finnen, de joden en de Polen niet symptomatisch is geweest voor de behandeling van de minderheden elders in het rijk. De drie genoemde minderheden woonden in het Westen van Rusland, zij waren zichtbaar voor de rest van Europa en zij slaagden erin het beeld van de mishandeling van de minderheden te monopoliseren. Het is, schrijft Pearson, 'ontoelaatbaar' op basis van de behandeling van drie duidelijk niet representatieve nationaliteiten te concluderen dat alle meer dan honderd andere nationale groeperingen even krachtig werden onderdrukt. Van gedwongen Russificatie was wel sprake, maar vooral in Europees Rusland: Sint Petersburg had, aldus Pearson, noch de macht noch de ambitie in Siberie en Centraal-Azie een repressief minderhedenbeleid te voeren en, zo schrijft hij, tot op zekere hoogte heeft de Pax Rossica in Centraal-Azie ook een beschavend effect gesorteerd, al was het maar door de onderdrukking van het endemische banditisme en de afschaffing van de slavernij. Er zijn, zo schrijft Pearson, minderheden geweest die profiteerden van een positieve discriminatie, zoals de Baltische Duitsers ('de Mamelukken van het Russische Rijk'), die binnen de tsaristische establishment een bastion van informele privileges vormden. Dat gold met name voor het ministerie van buitenlandse zaken. Pearson: ' De notie dat een niet-Russische minderheid het buitenlands beleid uitvoerde - zo niet bepaalde - was voor Russen beledigend en onverdraaglijk.' PERSVRIJHEIDEen ander punt waarop de repressie faalde was dat van de persvrijheid. De autocratische macht slaagde erin de burger rechten te onthouden, hij slaagde er, zo betoogt Caspar Ferenczi, niet in, zeker niet na 1906 toen er een vorm van persvrijheid kwam, de pers werkelijk aan banden te leggen. Die pers werd door het gebrekkige functioneren van de Doema en de talrijke beperkingen waaraan politieke partijen waren onderworpen, de enige 'tegenmacht' in het tsaristische rijk. De vrije pers werd door het bewind bestreden, met arrestaties (tussen 1907 en 1909 werden 341 journalisten tot gevangenisstraffen veroordeeld), door bladen tijdelijk of permanent te verbieden (519 keer in dezelfde periode) en door bladen te bestraffen met geldboetes die vaak tot beeindiging van hun verschijning leidden. Maar dat beleid heeft nooit gewerkt: daarvoor verschenen er te veel kranten en tijdschriften. Het totaal aantal perspublikaties steeg van 1002 in 1900 tot 2391 in 1910 en 3111 aan het begin van de Eerste wereldoorlog. Die bladen vonden en zochten mogelijkheden om aan de strenge bepalingen van de censuur te ontkomen. Sommige kranten stelden pseudo-hoofdredacteuren aan, gewoonlijk boeren of arbeiders die bereid waren het risico te nemen. Die pseudo-hoofdredacteur verdween dan in de gevangenis als het blad weer eens te ver was gegaan. Vaak ook werd 'verboden' nieuws verpakt in berichtgeving uit het buitenland en werden verboden bladen enkele dagen later onder een andere naam heropgericht.

Bovendien was het bewind niet in staat of niet bereid veel mensen en middelen te steken in het controleren van de pers. Volgens Ferenczi hebben zich nooit meer dan honderd functionarissen tegelijk met de censuur bezig gehouden. Dat kleine groepje censors moest alleen in 1914 al meer dan 32.000 boeken en meer dan drieduizend kranten en tijdschriften in meer dan vijftig talen beoordelen. De tsaristische overheid liet het bij steekproeven en concentreerde zich vooral op de revolutionaire pers. Het was en bleef voor de Sociaal-Democraten en de Sociaal-Revolutionairen vrijwel onmogelijk hun bladen te publiceren; die bladen waren financieel te armlastig om de zware boetes op te brengen en verdwenen keer op keer.

Die twee voorbeelden - het mediabeleid en de relatief tolerante behandeling van alle minderheden met uitzondering van de Polen, de joden en de Finnen - zijn echter tot 1917 uitzonderingen gebleven: het burgerrechtenbeleid onder de tsaren bood verder een beeld van extreme rechteloosheid, repressie en willekeur. VROUWENIn Civil Rights in Imperial Russia wordt stilgestaan bij een groot aantal aspecten van dat beleid. William G. Wagner geeft in zijn essay een beeld van de 'rechten' van de vrouw in het patriarchale Rusland. Zij was het persoonlijke bezit van haar man: ze mocht zonder zijn toestemming geen werk hebben, geen onderwijs genieten, geen paspoort bezitten, ze mocht niet scheiden en ze had geen eigen bezit.

Ook van werkelijke godsdienstvrijheid was geen sprake. De Orthodoxe Kerk was de staatskerk. Andere geloofsgemeenschappen werden officieel getolereerd, maar in de praktijk gediscrimineerd, soms in zo'n mate dat bijvoorbeeld de protestanten in Estland en Letland zonder toestemming van de Orthodoxe bisschop geen kerken konden bouwen of herstellen. Daarbij was de Orthodoxe kerk zelf wel staatskerk, maar verre van onafhankelijk: ze was een instrument van de macht. Aan het hoofd van de Orthodoxe kerk stond een door de tsaar benoemde procurator, een leek, die als leider van de Heilige Synode fungeerde en die de bevoegdheid had die Synode al dan niet bijeen te roepen in een door hem bepaalde samenstelling. Bovendien moesten alle verklaringen van de regering in de kerken worden voorgelezen en hadden priesters de plicht de politie te informeren over het gedrag en de denkbeelden van hun gelovigen, zelfs als ze daarmee het biechtgeheim schonden. Pogingen van relatief verlichte politieke leiders, zoals premier Pjotr Stolypin, om hervormingen op het gebied van de godsdienstvrijheid door te voeren zijn steevast stukgelopen op het verzet van de procurator, de tsaar en, als ze andere geloofsgemeenschappen betroffen, de Orthodoxe kerk.

SIBERIEIn andere essays van Civil Right in Imperial Russia worden de rechten van vereniging en vergadering, de vakbondsvrijheid, de onderdrukking van de joodse minderheid, het optreden van de politie- en veiligheidsdiensten en het strafrecht behandeld. In dat laatste artikel staat Alan Wood uitvoerig stil bij de extreme willekeur bij de uitvoering van opgelegde straffen, vooral die van verbanning naar Siberie. Siberie, aldus Wood, stond - terecht - bekend als 'het Huis van de Doden'. De relatief milde behandeling van een aantal bekende ballingen, zoals Lenin, was verre van typerend. De tsaristische autoriteiten zelf gingen er in vele gevallen van uit dat de ballingen hun straf niet zouden overleven en beschouwden die ballingen dan ook vanaf hun vertrek naar Siberie officieel als gestorven: ze raakten al hun rechten kwijt, hun kinderen konden hun bezittingen 'erven', hun achtergebleven vrouwen mochten hertrouwen.

Daarbij ging het niet om een handvol ballingen. Er zijn honderdduizenden criminelen, politieke tegenstanders, maar ook gewoon 'lastige'onderdanen naar Siberie verbannen, in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw alleen al tussen tien- en twintigduizend per jaar. Slechts in een procent van de gevallen ging het om politieke tegenstanders. Ze waren in Siberie overgeleverd aan de willekeur van de lokale autoriteiten. Sommigen mochten in ballingschap werken, anderen niet, sommigen kregen een beperkte bewegingsvrijheid, anderen huisarrest, sommigen mochten corresponderen, schrijven en lezen, anderen mochten dat niet. Lenin leefde van 1897 tot 1900 met zijn vrouw relatief comfortabel in het Zuid-Siberische Sjoesjenskoje, waar hij jaagde, las, en onder andere het werk De Ontwikkeling van het Kapitalisme in Rusland schreef. Anderen, aldus Wood, kwamen in eenzame opsluiting terecht in de verre vlakten van Jakoetie, waar ze in hutten vol ongedierte moesten leven, zonder enige communicatie met de buitenwereld, zonder eigen bezittingen en zonder gemeenschappelijke taal met de plaatselijke bevolking.

Wie in dat verre ballingsoord zondigde tegen de hem opgelegde bepalingen, werd zonder enige vorm van mededogen behandeld. Tot de strafrechthervorming van 1871 kon hij worden veroordeeld tot zesduizend stokslagen. Na die hervorming werden dat honderd zweepslagen, die net zo dodelijk konden zijn. Maar ballingen konden ook worden veroordeeld tot een nog strikter regime, een nog grimmiger ballingsoord, om over middeleeuwse straffen als het vastketenen voor perioden tot drie jaar nog maar te zwijgen.

Ook met de straf van ballingschap zelf werd willekeurig omgesprongen, zo schrijft Wood. Ballingschap naar Siberie werd, afgezien van de doodstraf, gezien als de zwaarste straf die er was. Niettemin werden velen naar Siberie verbannen die zelfs geen misdrijf hadden gepleegd waarvoor ze voor de rechter hadden kunnen worden gebracht. Sinds de 18de eeuw hadden de dorpsgemeenschappen het recht leden uit te stoten die zich a-sociaal gedroegen of zich niet aanpasten: overspeligen, dronkaards, schuldenaars. Zij werden aan de politie uitgeleverd en naar Siberie verbannen; ze kregen met andere woorden de zwaarste straf zonder de wet te hebben overtreden. Aan het eind van de negentiende eeuw, aldus Wood, maakte deze categorie een kwart uit van alle ballingen in Siberie.

In het laatste essay van Civil Rights in Imperial Russia inventariseert H. J. White de indrukwekkende reeks van hervormingen op het gebied van de mensen- en burgerrechten na de februari-revolutie van 1917.