Geen papier, geen debat

De kranten van 1945 geven, op minuscule uitzonderingen na, vrijwel geen inzicht in de omvang van het antisemitisme in Nederland in dat jaar, maar uit recente publikaties naar aanleiding van de herdenking van de bezetting blijkt dat er, zij het kortstondig, na de bevrijding op veel grotere schaal dan tot nu toe is verondersteld een virulente opleving van het verschijnsel is geweest. In de oudere naoorlogse wetenschappelijke literatuur die aan dat onderwerp is gewijd, wordt het bestaan van antisemitisme in Nederland weliswaar niet gebagatelliseerd, maar toch wel zo versluierd dat er niet veel van aan het nationale historische bewustzijn is blijven hangen. Uit een groot aantal nagekomen berichten dat in de herdenkingsgolf van de afgelopen weken is aangespoeld (veel persoonlijke herinneringen), is echter bij stukjes en beetjes een veel minder flatterend beeld van de naoorlogse werkelijkheid te voorschijn gekomen.

Enkele weken geleden heb ik dat punt al aangeroerd, maar sindsdien is een boekje van Dienke Hondius verschenen dat aanleiding geeft nog een keer op het onderwerp terug te komen. Met een overvloed van feiten toont Hondius daarin aan dat er onmiddellijk na de bevrijding in Nederland - weliswaar niet lang, maar toch op een bedenkelijke schaal - sprake was van een uitbarsting van jodenhaat, die niet in het minst getemperd was door de wetenschap dat de Duitsers zes miljoen hadden vermoord, maar er eerder door leek aangewakkerd. De oorzaak daarvan zoekt ze in niet-joodse schuldgevoelens, waarvoor de Talmoed al een psychologische verklaring geeft, die ook gebruikt is in de epiloog van Pressers Ondergang: 'Het is de menselijke geest eigen, te haten wie hij gekwetst heeft'. Hondius signaleert een opleving van antisemitisme in 1945 op straat, maar ook bij de overheid, zowel op gemeentelijk als op rijksniveau. Rijksbureaus weerden joodse sollicitanten met het motief dat 'de Joodsche employe op zooveel weerstand stuit in de handelswereld en daardoor zooveel ongeschikter is dan de niet-joodsche employe'.

Niet bekend

(Hondius: Terugkeer; antisemitisme in Nederland rond de bevrijding, Staatsuitgeverij, Den Haag, 1990). Hondius (wier publikatie steunt op een vorig jaar geschreven doctoraal-scriptie) is van een andere, op dit punt minder bevangen, generatie dan de historicus dr. L. de Jong, die het onderwerp in zijn werk niet heeft geschuwd, maar het toch onder gedempt licht, om niet te zeggen met enige zelfcensuur, heeft behandeld.

In de opstellenbundel Veertig jaar na '45; Visies op het hedendaagse antisemitisme (Stiba/Meulenhoff Informatief, 1985) vertelt De Jong hoe hij in de winter van 1945-'46 in zijn functie van chef de bureau van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in Amsterdam zelf op een uiting van antisemitisme werd getracteerd.

Omdat hij verantwoordelijk was voor de gang van zaken op het bureau had hij zichzelf belast met het afhalen van de kolenbonnen (de brandstof werd nog gerantsoeneerd) voor zijn kantoor op het adres waar de Amsterdamse Brandstofcommissie was gevestigd. Omdat hij niet voor zichzelf maar voor een bedrijf een toewijzing moest hebben, hoefde hij niet in de rij te staan ('op de trap stond een lange rij huisvrouwen, slecht gekleed, vaal van gezicht - de hongerwinter was velen nog aan te zien'), maar kon hij doorlopen naar een loket op een andere verdieping waar hij onmiddellijk werd geholpen. Terwijl hij de trap op snelde, hoorde hij een vrouw die hij passeerde zeggen: 'De joden dringen zeer weer naar voren'. De Jong was over die uitval niet verbaasd. Hij wist 'dat er in de bezetting een zekere toename was geweest van het antisemitisme en had daaromtrent ook bij een bezoek aan het bevrijde Zuiden begin 1945 het nodige vernomen'.

Maar hij vertrouwde 'dat die, met de vervolgingssituatie samenhangende, antisemitische gevoelens wel zouden slijten'.

Hij voegt daaraan toe dat hij meent zich daarin niet te hebben vergist. De Jongs neiging tot 'naar beneden afronden' treft men bij de twee generaties jongere Hondius niet aan. Zij vindt niet dat het verschijnsel zich in zo'n onschuldige vorm openbaarde, maar dat het door de oorlogsgeneratie onder het kleed is geveegd. Volgens haar is het onderwerp in 1945 in joodse kring, maar ook in de politiek en in de pers doodgezwegen dan wel weggepraat.

Dat doet overigens niets af aan mijn bewondering voor De Jongs monumentale geschiedschrijving. Behalve Louis van Gasterens film Begrijp je nu waarom ik huil? is er geen werk dat zoveel heeft bijgedragen aan de nationale bewustwording van de dimensie van de jodenvervolging als de Geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog.

De Nederlandse pers van direct na de oorlog heeft aan die nationale bewustwording bijgedragen. In de kranten van die tijd komt men verbazingwekkend weinig nieuws tegen over de lotgevallen van de joden en het leven in de concentratiekampen. Ook de illegale pers heeft nooit veel over de gebeurtenissen in de kampen geschreven. Hondius geeft daarvoor geen verklaring, maar beperkt zich tot een inventarisatie in de joodse en de niet-joodse pers.

Ze citeert de verantwoordelijke joodse redacteuren die zich liever op de toekomst richten dan zich verliezen in het recente verleden. De een zegt: 'Je gaat zo'n krant toch niet volstoppen met kampleed' en een ander: 'We maken nog een tijd van geestelijke verdoving door en kunnen onze gevoelens nog steeds niet in de door ons gewenste vorm uiten'. Er is, bij mijn weten, nog geen wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de invloed van de naoorlogse papierschaarste op de gebrekkige kennis die de Nederlander jarenlang van de jodenvervolging had - tot L. de Jong die geschiedenis in het begin van de jaren zestig in zijn televisie-feuilleton navertelde. In de jaren van de papierdistributie (van midden 1945 tot 3 oktober 1949) waren de kranten niet alleen uiterst dun, maar half zo groot als tegenwoordig en de berichtgeving beperkte zich tot de meest essentiele, uitgeklede mededelingen.

Zelfs op het proces in Neurenberg, waarin voor het eerst de vernietiging van de bevolking der concentratiekampen werd onthuld, drukte het juk van de papierschaarste. Gerda Brautigam, die voor Het Vrije Volk uit Neurenberg verslag deed, heeft mij verteld dat ze een fortuin aan de telefoon uitgaf (en huilde en schreeuwde) om elke dag de redactie in Amsterdam te overreden tot het plaatsen van tien extra regels. Haar dagelijkse berichtgeving mocht zelden langer zijn dan een karige 40 regels. Bij Het Parool en de andere kranten was het niet anders.

De leiding van de kranten was zich van de gevolgen daarvan wel bewust. Op 30 mei 1947 kwamen zo'n 200 hoofdredacteuren en directeuren in Amsterdam bijeen om tegen de papierdistributie te protesteren. De voorzitter van de Nederlandse Journalisten Kring, mr. M. Rooy (de hoofdredacteur van de N. R. C.) stelde de regering in gebreke en wees erop dat het publiek, 'dat toch reeds slechts 20 a 35 procent van de vooroorlogse berichtgeving ontvangt, nu nog onvollediger zal worden ingelicht'.