Toeschouwer wordt rechter in stuk over kannibalisme

'De cel meet twaalf passen lang en negen passen breed': deze tekst klinkt uit de mond van Maarten Wansink die solo het aangrijpende toneelstuk Oordeel speelt van de Engelse auteur en journalist Barry Collins. De zin lijkt op de openingsregels van het gedicht Lied van de twaalf doden van Jan Campert. De toeschouwer krijgt ook te horen dat de cel zes meter hoog is, met slechts helemaal bovenin een klein venster met tralies.

Onwillekeurig begon ik in het Auditorium van de Amsterdamse Theaterschool in het rond te kijken en probeerde ik de hoogte van de kale, witgepleisterde muren te schatten. De plaats van toneelspel lijkt op bijzondere en bizarre wijze ook de plaats van handeling van het toneelstuk te zijn. Maarten Wansink speelt zijn monoloog in een van de voormalige snijzalen van het Binnengasthuis. Hier werd vroeger college gegeven in anatomie. De geur van lysol is niet weg te wassen.

Anatomie: daar gaat de voorstelling over. Maar dan anatomie gedwongen door oorlogsomstandigheden. Het onderwerp is kannibalisme. Maarten Wansink geeft namelijk op sobere en overtuigende wijze een voordracht over de strategie van het overleven. Hij speelt kapitein Andrei Vakhov die met lotgenoten in de kelder van een Pools klooster werd opgesloten door de Duitsers, zestig dagen zonder eten of drinken. Ze besluiten, geheel volgens de militaire discipline, dat overleven het belangrijkste is en dientengevolge trekken de slachtoffers loten om wie als eerste zal worden vermoord en opgegeten. Vakhov is de enige overlevende; zijn krijgsmakker wordt geexecuteerd na de verlossing uit de cel. In werkelijkheid viel hem hetzelfde lot ten deel omdat het leger zich geen mensenetende officieren kon veroorloven. Auteur en journalist Barry Collins is door de Amerikaanse filosoof Steiner op het idee gebracht voor deze monoloog, die berust op een waar gebeurde episode uit de Tweede Wereldoorlog.

Naar de vorm is het stuk zowel het verslag van een ooggetuige als een pleidooi. De toeschouwers zijn de rechters die moeten oordelen over de man die voor hen staat, gekleed in het sober grijs, stalen brilletje, soms moeizaam en soms briljant formulerend. Maar wie is de toeschouwer dat hij kan oordelen over gebeurtenissen waar hijzelf part noch deel aan heeft gehad? En als wij de man daar in het midden schuldig bevinden, waaraan dan eigenlijk? Zijn onze sentimenten niet slechts formeel, ingegeven door eenvoudige emoties? Wij hebben niet meegemaakt wat die man heeft doorstaan in de kelder in Polen. Heel nauwkeurig beschrijft hij het wegsterven van de voetstappen der vijanden. Een verschrikkelijk en paradoxaal moment.

In 1978 speelde Siem Vroom de monoloog bij Globe. Te oordelen naar de recensies was zijn optreden indrukwekkend. Ik heb die voorstelling toen niet gezien, maar Maarten Wansink maakt er bij Toneelgroep Amsterdam eveneens een zeer bijzondere gebeurtenis van. Tegen een zwarte achtergrond, bestaande uit driehoekige schotsen, spreekt hij zijn tekst uit, vloeiend en haperend, soms schreeuwend maar vaker rustig en bedaard. Hij maakt er kleine gebaren bij, zoals het masseren van een pijnlijke knie of het schoonpoetsen van het brilletje. De toeschouwers worden een voor een indringend aangekeken. Wij mogen niet ontsnappen uit de hel die de tekst beschrijft, net zo min als de gevangenen toentertijd konden ontsnappen. Op zeldzame wijze wordt in dit toneelstuk de grens tussen toeschouwer en medeplichtige overschreden. We kunnen niet vol toneelgenot achteroverleunen, nee, we moeten meedenken en ons inbeelden wat wij in dezelfde situatie hadden gedaan. Aan het slot zegt Maarten Wansink dat hij zich erover verbaast waarom hem dit moest overkomen, en dan voegt hij er even verbitterd als hoopvol aan toe: 'Waarom niet?' Zijn methode tot lijfsbehoud was apathie. De gebeurtenissen laten komen zoals ze komen. Eerst vormde de groep militairen een collectief, al snel bleek dat men op zijn individualiteit was aangewezen. Hoewel kannibalisme ons voert naar de grenzen van ethiek en moraal, is die overgang van collectief naar individu de dramatische stuwing van het toneelstuk. Zo teruggeworpen zijn op het eigen ik is onvoorstelbaar, ongelooflijk en verpletterend van eenzaamheid. Maarten Wansink speelt heel dat scala van gevoelens op krachtige wijze; hij wekt geen vals medelijden, hij houdt een pleidooi voor het onmogelijke, en doet dat fier, zelfbewust en aangrijpend. Wij, de toeschouwers en de jury, zijn gedwongen tot luisteren en zouden geneigd zijn de verdachte vrij te spreken. Maar wij hadden het niet voor het zeggen toen in Polen. De geschiedenis toont weinig mededogen met iemand zoals Vakhov, die dacht dat hij een held zou zijn maar voor zijn genadeloze overleving toch met de dood werd gestraft.

Voorstelling: Oordeel van Barry Collins door Toneelgroep Amsterdam. Spel: Maarten Wansink; regie: Lex de Regt; decor en kostuums: Bo Rienks. Gezien 16/5 Auditorium Theaterschool, Amsterdam. Te zien t/m 27/5 aldaar.

    • Kester Freriks