Onderwijs 'op maat', begroting nog niet

ROTTERDAM, 18 mei - Minister Ritzen (onderwijs) en zijn staatssecretaris Wallage wilden het gisteren heel nadrukkelijk niet zeggen. Maar duidelijk maakten zij het wel: na de komende reorganisatie van het ministerie van onderwijs en wetenschappen zal de omvang van het ambtenarenapparaat fors zijn geslonken. Met hoeveel precies hangt af van het aantal functies dat in de nieuwe opzet nodig zal zijn.

Niet bekend

De huidige structuur van het ministerie zou niet meer passen bij de nieuwe 'besturingsfilosofie' die door oud-minister Deetman op de rails is gezet. Daarin zal de wetgeving fors worden uitgedund. Dat kan als scholen, hogescholen en universiteiten een grotere verantwoordelijkheid krijgen voor hun doen en laten. Daarin past ook een veel globalere financieringswijze en een grote vrijheid voor de instellingen om hun geld te besteden. Een zorgvuldige en systematische kwaliteitsbewaking vormt het onontkoombare sluitstuk van dit beleid, dat de minister de mogelijkheid biedt zijn verantwoordelijkheid voor het onderwijs, waarop hij volgens de grondwet kan aangesproken, waar te maken.

Het was dus eigenlijk niet meer dan logisch dat in het regeerakkoord werd opgenomen dat 'de consequenties voor de omvang, organisatie en werkwijze van het ministerie zouden worden uitgewerkt'. Daarmee begon Ritzen al toen hij pas enkele weken minister was. Na de aankondiging, in november, dat hij het ministerie wilde laten doorlichten, volgde in januari de installatie van de werkgroep.

In het gisteren gepubliceerde rapport wordt echter geen aanwijsbaar verband gelegd tussen de voorgestelde reorganisatie en de nieuwe besturingsfilosofie - zoals uit het rapport ook nergens duidelijk wordt waar en hoe de huidige organisatie past op de gedetailleerde bemoeienis van de overheid met het onderwijs.

De nieuwe organisatie is dan ook veel meer het antwoord op een aantal in zeer globale termen geformuleerde feilen die de werkgroep constateert in het functioneren van het departement. Zoals verkokering, waardoor onderdelen van het ministerie niet alleen verschillende beleidsuitgangspunten hanteren maar elkaar soms ook tegenwerken. En de matige aandacht van de leiding van het departement voor de - intellectueel minder gewaardeerde - uitvoering van het beleid en het ontbreken van een bij een produktiebedrijf (waar beleidsuitvoering in belangrijke mate op neerkomt) passende cultuur.

Voor die problemen biedt het rapport wel een oplossing. Daarbij wordt aangesloten op de ervaringen bij de sanering, in 1988, van de Groningse vestiging van het ministerie, onder meer belast met de uitbetaling van studiebeurzen. De banden tussen beleid en uitvoering werden resoluut doorgesneden, er werd een puur op produktie gericht bedrijf gevormd, de Informatiseringsbank. Het beleid werd in Zoetermeer geconcentreerd. In een contract is vastgelegd wat wordt geproduceerd, onder welke voorwaarden en tegen welke prijs.

Het is een constructie die de bewindslieden ook voor de financiering en de huisvesting van het onderwijs voor ogen staat. Er komt een zelfstandige uitvoeringsorganisatie die wordt belast met onder meer de betaling van de scholen. Zij zal aan strikte regels worden gebonden want, aldus Wallage, 'wij moeten af van de situatie dat een school bij een ambtenaar aanklopt voor meer geld omdat zij in bijzondere omstandigheden vertoeft'. De grote winst van het verzelfstandigen van de uitvoeringstaken is dat het de beleidsmakers noodzaakt om te gaan onderhandelen met de nieuwe organisatie (of organisaties, want niets verhindert straks anderen zich voor de uitvoering van dat werk aan te bieden). Dat zal duidelijk maken of het beleid uitvoerbaar is en tegen welke kosten. Die uitvoering wordt vastgelegd in een contract waarop de organisatie kan worden aangesproken.

Voor een probleem biedt de voorgestelde reorganisatie geen oplossing, terwijl dat volgens de bewindslieden toch essentieel is voor het herstel van het vertrouwen in de overheid: de begrotingsoverschrijdingen. In het rapport worden de directies binnen het departement verantwoordelijk gesteld voor de juistheid van de ramingen van het aantal scholieren en studenten. Maar gisteren verklaarde Ritzen dat hij toch vasthoudt aan een centrale afdeling die met het ramen wordt belast. Misschien heeft de schrijver van het rapport de minister verkeerd begrepen.