Kraat bouwt Delftse Poort als lijnenspel in staal en neon

'Hoe is het met de Delftse Poort?' vroeg de schilder Willem de Kooning drie jaar geleden aan galeriehoudster Cokkie Snoei. In haar Rotterdamse galerie staat nu een gedetailleerde maquette voor een nieuwe Delftse Poort, ontworpen door beeldende kunstenaar Cor Kraat (1946). Snoei en Kraat bezochten de oud-Rotterdammer in zijn huis op Long Island, New York. De Kooning leed toen al aan geheugenverlies. Hij herkende zijn eigen werk niet meer, maar informeerde wel naar de poort die eens een van de meest geliefde bouwwerken van Rotterdam was.

De Delftse Poort is niet meer. In 1772 is ze gebouwd naar een ontwerp van Pieter de Swart, architect van onder meer het paleis aan de Lange Voorhout in Den Haag en het paleis Van Nassau Weilburg (de latere Koninklijke Schouwburg). Als verdedigingswerk had de poort toen al geen functie meer. Begin 1939 werd de poort 'ten behoeve van verbeteringen' gedeeltelijk afgebroken: ze zou een paar meter verderop weer worden opgebouwd. Bij het bombardement in mei 1940 vlogen de steigers in brand. De poort was niet onherstelbaar beschadigd, maar desondanks besloot het college van B en W haar een jaar later te 'amoveren'. Cor Kraat vormt samen met Hans Citroen en Willem van Drunen het collectief Kunst en Vaarwerk, dat vanaf 1979 verscheidene kunstwerken in Rotterdam heeft gerealiseerd. Hun vormentaal en humor komt voort uit de Pop Art, vooral die van Claes Oldenburg; nu heeft Kraat voor het eerst een historisch uitgangspunt genomen.

De gemeente stelt de grond beschikbaar, een treurig driehoekig groen eiland tussen het drukke verkeer vlakbij de plek waar de poort oorspronkelijk stond, aan de kop van de Delftse Vaart schuin achter het gemeentehuis.

Grafisch

De nieuwe poort wordt opgebouwd uit staalprofielen: H-, L-, T- en U-balken. Zij dienen niet alleen de constructie, maar bepalen ook het beeld: een grafisch lijnenspel met neon-verlichting, een computertekening van een neo-classicistische poort. De originele beeldhouwwerken die de poort ooit sierden en waarvan zich restanten in de tuin van het Museum Boymans-van Beuningen bevinden, zet Kraat op een sokkel op de grond.

Met de manier waarop hij de stedemaagd, de Rottenimf, de Maasgod en Mercurius heeft geabstraheerd, levert Kraat humoristisch commentaar op de wijze waarop Rotterdam in de tijd van de wederopbouw tegen zijn verleden aankeek. Net zoals velen na de oorlog de zwierige krullen op deuren en plafonds met hardboard afdekten, zo deed ook Rotterdam zijn best om het verleden weg te moffelen. Al nam de Delftse Poort in het leven van heel veel Rotterdammers een belangrijke plaats in, toch werd ze niet herbouwd. Want al voor de oorlog hadden vooraanstaande burgers met 'toekomstvisie' de poort als wanstaltig en protserig bestempeld.

Door alleen lijnen te gebruiken (in de vorm van balken) geeft Kraat de contouren aan van iets dat afwezig is. Met een staalconstructie als het skelet van een uitgestorven diersoort vestigt hij juist de aandacht op datgene wat de stad trachtte te verbergen. Alleen verhoudt de gebouwde omgeving zich tot de nieuwe poort als een mammoet tot een muis, of de Empire State Building tot de St. Patrick's Cathedral.

De nieuwe Delftse Poort van Cor Kraat heeft alles in zich om net zo'n populair monument te worden als zijn voorganger.