De Kamer moet zelf bepalen of zij dol wordt, niet Van Amelsvoort

DEN HAAG, 18 mei - Het recht van het parlement om van de regering inlichtingen te verkrijgen is een van de hoekstenen van onze parlementaire democratie - inderdaad, want anders kan het parlement zijn controlerende taak niet goed vervullen. Slechts met een beroep op het belang van de staat kunnen ministers en staatssecretarissen volgens de grondwet het geven van inlichtingen aan het parlement weigeren en dan zal het ten slotte altijd nog de Kamer zijn die uitmaakt of de regering zich terecht beroept op het staatsbelang.

Het geven van inlichtingen betekent uiteraard het geven van juiste inlichtingen en volledige inlichtingen, ongeveer naar analogie van de eedformule waarbij het gaat om de gehele waarheid en niets dan de waarheid. Terecht neemt het parlement het dan ook hoog op als het vermoeden rijst dat een bewindspersoon onjuiste of onvolledige antwoorden op vragen van Kamerleden heeft gegeven.

Thans is de staatssecretaris van financien, Van Amelsvoort, in moeilijkheden geraakt over zijn informatieverstrekking aan de Tweede Kamer rondom de problemen bij de belastingdienst. Was hij slechts globaal op de hoogte of wist hij meer? Had hij de Kamer niet in januari kunnen inlichten, toen er nadrukkelijk naar werd gevraagd? Merkwaardigerwijs heeft de staatssecretaris nu verklaard het zelfs onbehoorlijk te vinden als hij gegevens aan de Kamer had verstrekt, voordat deze gegevens eerst elders onderwerp van gesprek waren geweest. Opmerkelijk is ook de uitspraak van de bewindsman dat hij de Kamer dol zou maken als hij altijd alle cijfers zou verstrekken (de Kamer zal zelf wel uitmaken of zij dol wordt van de door haar verlangde inlichtingen).

Bedot

In de jaren '20 kwam een minister - een zekere Van Swaay - in moeilijkheden wegens een reorganisatie bij de postcheque- en girodienst. Deze reorganisatie liep volledig in de war. De minister gaf aanvankelijk de meest geruststellende verklaringen: volgens hem zou er slechts sprake zijn van een ongerief voor slechts enkele dagen - intussen werd de chaos in 1923 steeds groter. Door de Kamer ter verantwoording geroepen verklaarde de minister zijn aanvankelijk geruststellende verzekeringen met het excuus dat hij door zijn ambtenaren was 'bedot'.

Merkwaardigerwijs hield de Kamermeerderheid hem de hand boven het hoofd. Minder goed liep het af met de minister van buitenlandse zaken Van der Maesen de Sombreff, die ervan werd beticht de Tweede Kamer een officiele waarheid te hebben meegedeeld die met de feitelijke waarheid in strijd zou zijn. De minister, die had verklaard geen nota van de Russische regering te hebben ontvangen, kreeg het verwijt dat hij de Kamer zou hebben misleid, een beschuldiging die bijna tot een tweegevecht aanleiding gaf; later werd de zaak evenwel opgehelderd. De Eerste Kamer verwierp in 1863 zijn begroting.

Nog betrekkelijk vers in het geheugen liggen de moeilijkheden waarin de minister van economische zaken Van Aardenne in 1984 kwam toen hij ervan werd beticht aan de Kamer onjuiste inlichtingen te hebben verstrekt over de RSV-kwestie. De meerderheid van de Kamer hield hem evenwel de hand boven het hoofd.