Als gegrift

'Dit staat in mijn geheugen gegrift.'Meestal zijn het passages of situaties die door de schrijver met zijn pen ergens in je hersenschors zijn gekerfd. Een scherpe metafoor kan ook lang mee gaan. Soms leidt zo'n beeld in je geheugen een slapend bestaan tot je opeens de situatie tegen het lijf loopt waarin je hem zelf had kunnen verzinnen. Maar hoe gaat het met een boek in zijn geheel? Als er een jaar nadat je het hebt dichtgeslagen meer van over is dan een paar schimmen mag de schrijver zijn handen al dichtknijpen.

Opeens merkte ik dat ik jaren geleden zo'n heel boek te logeren had gelegd. Misschien zult u vragen hoe ik dat merkte.

Alberto Moravia is hier geweest. Ik las de kenschetsen van zijn oeuvre, vraaggesprekken en de verslagen van zijn optreden. Eigenlijk, verzekerde hij telkens, ben ik de man van een boek. Terwijl ik dit schrijf, schiet me nog iets anders tebinnen. Vestdijk, in zijn Essays in duodecimo, maakt onderscheid tussen schrijvers die in talrijke varianten zichzelf biograferen (niet: portretteren) en anderen die bij wijze van spreken de hele karakterologische regenboog in hun mars hebben.

De pretenties van die laatste kategorie geloof ik niet (als het al hun pretenties zijn). Ik denk dat, als je maar lang genoeg zoekt, ieder personage van iedere romanschrijver, of ieder onderwerp van welke essayist dan ook, of zelfs de keus die de stukjesschrijver uit zijn etalage van 'wat zich aandient' maakt, valt terug te voeren op hetgeen hem het meest bezighoudt. Geen mens die schrijft kan zich echt verbergen en de anderen kunnen het ook niet, al hebben die het gemakkelijker. Alles is code.

Moravia is de man van een boek en hij is alleen een uitzondering omdat hij het weet en het ook zegt.

Het eerste dat ik van Moravia las, was Conjugal Love, een dunne paperback die ik kocht om het plaatje op het omslag. De herinnering daaraan is blijkbaar verdrongen door de inhoud, dat wil zeggen de personages, de verwikkelingen, de situaties, het decor.

Het gaat over een schrijver die zich met zijn vrouw heeft teruggetrokken in een rustieke uithoek om zich daar aan een meesterwerk te wijden. Wat doet een schrijver anders op het platteland; maar het naburige boerenbedrijf wil zijn muze niet activeren. Hij is niet het eerste slachtoffer van die vergissing. Terwijl hij zich afmartelt is zijn vrouw zich aan het vervelen. Af en toe gaan ze naar het naburige dorp, waar hem in het bijzonder een kapper opvalt als een onguur type.

Op een mooie avond, als hij weer op zijn pen zit te kluiven, besluit zijn vrouw een wandelingetje te maken. Ze blijft lang weg; hij besluit haar te gaan zoeken. De top van een heuveltje biedt het uitzicht op een dorsvloer waar hij in de volle maan zijn vrouw met de kapper een nimf en Pan-achtige dans ziet uitvoeren. Het eindigt op de grond. Verslagen gaat de schrijver naar huis. Nee: verslagen is hier een zwak woord. Z'n hele lichaam wordt in beslag genomen door de diepste treurnis die een man kan overkomen. Hij wacht op de terugkeer van zijn vrouw.

Als ze tenslotte verschijnt, zit het stro nog in haar haar. Moravia laat ook niet na, haar blos nauwkeurig te beschrijven. Daar zit de held: met voor zich de vergeefse aanloop tot een bij voorbaat mislukt meesterwerk en tegenover zich zijn vrouw die juist van de kapper komt.

Toen ik zo ver in Conjugal Love was gevorderd, kon ik me al geen dieper afgrond voorstellen maar Moravia maakte het nog erger. Ze praten met elkaar, niets wordt verzwegen. Samen verdiepen ze zich in de vraag waarom het meesterwerk maar niet wil komen. Hij weet het niet; zijn vrouw wel. Hij moet nog wat groter worden en een beetje oefenen. Dan zal het heus wel gaan.

Het verschrikkelijkste van alles, herinner ik me nu, was de troost die het arme auteurtje door de Moraviaans-sterke vrouw werd toebedeeld. De troost is de voltooiing van de nederlaag. Zo goed heeft Moravia het toen voor mij beschreven dat daardoor voor mij dit hele boek in leven is gebleven.

Nu denk ik er weer even over en het lijkt me dat ik die held nu, onder innerlijk protest, een beetje als een sukkel zou beschouwen. Niettemin: als gegrift in m'n geheugen.