'Wat een vraag'

Het schrijven dat de documentaire Opstand in Sobibor begeleidt, formuleert het koel en nauwgezet: 'Op 14 oktober 1943 vond in het vernietigingskamp Sobibor in Oost Polen, nabij de Russische grens, een georganiseerde opstand plaats tegen de kampbewakers en daar gestationeerde SS-ers. Ongeveer vierhonderd jonge vrouwen en mannen wisten uit het kamp te rennen. Uiteindelijk zouden slechts vierenveertig van hen de ontsnappingspoging overleven.'

Amsterdam, Kriterion; Den Haag, Haags Filmhuis.

Op grond van zo'n introductie en van de titel van de film verwacht je een onderzoek naar de toedracht, organisatie en uitkomst van die opstand. Ook wie weinig van de concentratiekampen afweet, zal kunnen vermoeden wat een wonder zo'n opstand heeft betekend, en al helemaal een 'georganiseerde' opstand. Het is ongelofelijk dat een massa uitgeputte en wanhopige, gepijnigde, ondervoede en oververmoeide mensen de discipline heeft kunnen opbrengen gezamenlijk op te staan tegen een gezag dat piepkleine vergrijpen al buitenproportioneel streng bestrafte.

De regisseurs, de Nederlandse Lily van den Bergh en de Russische Pavel Kogan, die samenwerkten in een unieke coproduktie van Nederland met de Sovjet Unie, maakten met Opstand in Sobibor geen film over die opstand. Hun film werd een documentaire over het kamp van die naam. Daarin komt de opstand aan de orde, als een van de vele bij vernietingskampverhalen behorende onderwerpen die tot op de dag van vandaag onvoorstelbaar zijn van gruwelijkheid, ondanks alle films, boeken en getuigenissen die er over kampen als Sobibor naar buiten zijn gebracht.

Kogan en Van den Bergh traceerden vijf overlevenden die, verspreid over de wereld, nog konden navertellen wat het woord 'Sobibor' voor hen oproept. We zien ze in hun huidige bestaan en ze vertellen over vroeger: een taxichauffeur in New York, een Russische militair die na de oorlog ambtenaar werd, een gewezen papierfabrikant in Brazilie, een huisvrouw in Sydney, een gepensioneerd drukker in het Nederlandse Tricht. Hun levens worden beheerst door twee obsessies. De ene krijgt gestalte in Tricht. Van den Bergh wil weten waarom mensen zich 'zomaar' op de trein laten zetten als hun dat wordt opgedragen. Pas bij het volgende gesprek heeft de geinterviewde die impertinente vraag verwerkt. In boze tranen zegt hij dat het grootste probleem van hem en zijn lotgenoten is dat ze aangezien worden voor sufferds. De andere obsessie wordt in New York verwoord: 'We willen gewone mensen zijn' - die wens zal nooit vervuld worden, hoe hard de overlevenden hun best ook doen. Ze kunnen het verleden niet uitwissen en wie niet zag wat zij moesten zien, zal hen nooit werkelijk kunnen begrijpen.

Drie van de vijf hoorden tot de initiatiefnemers van de opstand en het is daarom des te merkwaardiger dat de opstand in Opstand in Sobibor een zo weinig prominente plaats inneemt. Zo komt zijdelings de rol van de vrouwen aan de orde. Die praten te veel, horen we, dus die hadden geen deel aan de organisatie. Was dat nu werkelijk zo? Vonden de vrouwen dat zelf ook? Op welk moment wisten ze dan wel wat? De film komt er niet op terug, ook niet in de gesprekken met de vrouwelijke overlevende die men in Sydney vond. Toch had zij, een van de weggevluchten, veel kunnen vertellen.

Veel slachtoffers die de kampen overleefden zijn bereid herinneringen op te halen. Het doet ze pijn, maar ze zien het als hun plicht tegenover al diegenen die niet de kans kregen om te overleven. Het is daarom ellendig om aan te zien hoe bereidwillig de getuigen van Opstand in Sobibor hun verhalen vertellen, en hoe weinig de filmmakers er mee aan kunnen. 'What a question' verzucht een van hen bij een wel heel botte reactie. Hij vertelt op dat moment hoe hij in 1949 op straat in Berlijn de 'Gasmeister' van Sobibor herkende. En Lily van den Bergh vraagt: 'Wist u het zeker?'.

Uit de persinformatie begrijp ik dat die herkenning het begin is geweest van de onthullingen over Sobibor, maar de film gaat maar heel even op dat verhaal door en laat het verder liggen. Later, wanneer dezelfde man het heeft over de beurstips die hij als taxichauffeur van zijn klanten krijgt, roept Van den Bergh 'That's interesting!' en wordt de kijker naar Opstand in Sobibor verveeld met hobby-speculanten-praat. Hetzelfde gebeurt wanneer de Braziliaanse getuige laat doorschemeren meer te weten over de 'zelfmoord' van een door hem opgespoorde nazibeul. Hij zegt dat hij er verder niet over wil praten en Kogan en Van den Bergh verzuimen in te gaan op de cryptische aanwijzingen die hij desondanks geeft.

De structuur van Opstand in Sobibor is al even onevenwichtig als de interviews. Als het ongeevenaarde Shoah van Claude Lanzmann wordt er verteld in cirkels. Er wordt herhaald, dezelfde verhalen krijgen we te horen uit verschillende perspectieven. Maar anders dan in Shoah falen die cirkels uit te monden in het punt waar ze naar toe wijzen. Soms zijn ze zelfs vicieus. Kogan en Van den Bergh negeerden de les van Shoah dat archiefmateriaal nooit zo sterk kan zijn als de getuigenissen van overlevenden. Zij verzwakten hun film met gekraste, schokkerige oude beelden in zwart-wit. Die wekken de suggestie van 'lang geleden', van 'voorbij', van 'weg', waar de overlevenden juist met ieder woord, met hun aanwezigheid alleen al, ervoor ijveren dat niemand de gebeurtenissen durft af te doen als afgesloten geschiedenis.

Opstand in Sobibor verdient het gezien te worden. Niet dankzij de makers, maar om de moed van de mensen die er hun verleden voor bloot legden.

JR