VIERDUIZEND JAAR HAREN EN KAPSELS OP EEN TENTOONSTELLING INHAMBURG; Over fakkels, meloenen, hanekammen en suikerspinnen

Stel, ik heb donkerblond, steil en halflang haar. Daar is niets mee mis, maar het zijn ook geen kenmerken die je direct naar een spiegel doen verlangen. Volgens de kapper en de cosmetica-industrie hoef ik er dan ook geen genoegen mee te nemen. Ik kan het laten verven, doen golven of krullen, het afknippen, opsteken, er linten door heen vlechten om het dikker te laten lijken. Er kan zo veel, dat haar niet meer op een lichaamsdeel als een voet, een hand of een oog lijkt. Van die lichaamsdelen staat de vorm min of meer vast, slechts met veel pijn, geld en moeite kan er iets aan veranderen. Hoofdhaar lijkt in sommige opzichten meer op een kledingstuk dan op een lichaamsdeel. Ik kan het dagelijks aan mijn stemming en bezigheden aanpassen, er bloemen insteken, goudpoeder over uitstrooien, ja er zelfs een orgeltje in laten spelen.

De twee laatste varianten komen uit het verleden. Ik heb kennis met ze gemaakt op een tentoonstelling over vierduizend jaar haarmode, die tot en met 1 juli in Hamburg is te zien. Met een overstelpende hoeveelheid voorwerpen wordt daar aangetoond dat men zelden tevreden is geweest met het haar waarmee men van nature getooid is. In de catalogus zorgen anecdotes, citaten uit oude wetten en kronieken en schilderijen die te kostbaar waren om voor deze tentoonstelling uit te lenen voor aanvullend bewijs.

Onderhoud

De meeste voorwerpen op de tentoonstelling komen uit de verzameling van de firma Schwarzkopf, een van de eerste producenten van shampoo aan het begin van deze eeuw. Hoewel shampoo is uitgevonden om het eigen haar in optimale staat te tonen, was dat van begin af aan niet de enige bedoeling. Haar mag niet naar zichzelf ruiken; de eerste shampoo van Schwarzkopf was met viooltjes geparfumeerd.

Egyptenaren staan soms op wandschilderingen afgebeeld met een zalfkegeltje op hun hoofd. Dit kegeltje bestond uit vet en geurstoffen, zoals mirre. Het werd met hars aan het haar vastgekleefd en als het vet smolt kwam er een aangename geur vrij. Dat het vet ook op lichaam en gewaden droop hinderde de Egyptenaren blijkbaar niet. Ook de Grieken en de Romeinen parfumeerden hun haar. In de vitrines ligt een groot aantal fraaie reuk- en zalfflessjes. De Atheense en Spartaanse regeringen probeerden het overdadige gebruik van sterk riekende olien te verbieden. Tevergeefs.

Niet bekend

De Grieken hechtten meer aan hun eigen haar en wasten het waarschijnlijk wel. Op de expositie zijn in ieder geval twee beeldjes van Afrodite te zien terwijl ze haar haar uitwringt. Deze goede gewoonte raakte na de Middeleeuwen langzaam in onbruik. Water zou slecht zijn voor het haar. Aan het hof van Lodewijk XVI was het haar door dit geloof zo vies geworden dat in de hoge kapsels van de dames vlooienvallen werden verstopt. Kunstig bewerkte ivoren buisjes werden gevuld met honing of in bloed gedrenkte watten. Door kleine openingen werden de vlooien in de val gelokt. Marie Antoinette bracht in 1775 vlokleurige kleding in de mode.

Dat het haar in de negentiende eeuw steeds vaker gewassen werd, bewijzen de eerste haardrogers, die het leven van vrouwen met hun soms enkellange haar aanzienlijk verlicht moeten hebben. Op de tentoonstelling zijn er twee te zien. De vroegste, uit 1870, is een kolenkachel met een roosterdeksel waar men het haar op moest leggen. Het tweede, iets latere model ziet eruit als een kolenkit, vrolijk rood en met sterretjes beschilderd, die in de hand gehouden moest worden. Hij werkte op spitritus.

Dergelijke apparaten zullen wel duur zijn geweest. Hoe duur vermeldt de catalogus helaas niet. Dit is des te meer een gemis omdat de verschillende schrijvers het niet kunnen nalaten telkens te benadrukken dat hun opmerkingen over haar en kapsels vrijwel altijd alleen voor de hogere klassen gelden. Arme mensen hadden natuurlijk geen geld en geen tijd om zich druk te maken over hun haar. De mannen droegen het altijd kort, de vrouwen bonden het lange haar met een enkel lint samen, maakten een vlecht of zetten een muts op.

Kleur

Een veenlijk uit de eerste eeuw na Christus, gevonden in Sleeswijk-Holstein, laat de haren van een Germaan zien. De schouderlange strengen zijn tot een knotje rechts boven het voorhoofd gevlochten. De buitenste haren zijn door de modder bruin gekleurd, maar binnen in de knot zitten nog enkele helblonde haren, jubelt Rolf Hurschmann, een van de catalogusschrijvers.

Het beste bewijs van de uitzonderlijke status die altijd aan blond haar is toegekend is misschien dat het de enige haarkleur is die een eigen naam heeft, alle andere soorten worden met bestaande kleuren aangeduid. Bijvoeglijke naamwoorden die de kleuraanduidingen verfijnen verwijzen bijna altijd naar iets anders moois: ebbehout, git, stro, kastanje.

Goudblond is het beste. Ik zou het binnen een half uur kunnen krijgen met een beetje waterstofperoxide, vroeger moest men zich behelpen met planten en kruiden, goudstof (Romeinen en Renaissance), zwavel (zestiende eeuw), Germaanse slavinnen (Romeinen) of blonde pages (de Franse koningin Margaretha van Valois) die de grondstof voor pruiken leverden. Zestiende-eeuwse Italiaanse dames vonden een hoed uit waarmee ze het haar urenlang in de zon konden bleken terwijl het gezicht voor de begeerd blanke teint in de schaduw bleef.

Blond haar was niet alleen mooi, maar ook goed. In Middeleeuwse kronieken wordt het voorgesteld alsof blond haar een kenmerk is van de adel. Boeren zien er heel anders uit, hun haar is pikzwart en borstelig. Toch heeft zwart haar af en toe nog wel tot het schoonheidsideaal behoord. Bruin haar was daarentegen altijd saai en met rood is het helemaal treurig gesteld. Sinds de dertiende eeuw werd Judas altijd met rood haar afgebeeld. Pas in deze eeuw heeft rood haar zijn slechte naam een beetje verloren. Dit komt niet doordat aan eigenaars van een rode dos nu andere eigenschappen worden toegedicht; dezelfde eigenschappen worden nu minder negatief beoordeeld. Rode vrouwen zijn wilde vrouwen en daarom verven vrouwen nu hun haar rood.

Structuur

Met mijn steile haar had ik in die vierduizend jaar alleen eind jaren zestig, begin jaren zeventig, de tijd van de musical Hair, bewondering geoogst. Maar zelfs in die musical had minstens de helft van de cast krullen en golven in het haar, teveel dus om echt te zijn. Echte krullen zijn net zo schaars als echt blond haar: het zusje van Charlie Brown is niet voor niets zo trots dat ze nergens anders over spreken kan. De eerste nepgolf zal bij toeval zijn uitgevonden, bij het uithalen van een vlecht. Nepkrullen werden al door de Romeinen met een brandijzer gemaakt, maar langer dan een dag bleven die waarschijnlijk niet zitten. Het permanent hebben wij te danken aan Karl Nestler. Om de krul in het haar te houden moet het aan grote hitte worden blootgesteld. Haren voor pruiken werden gekookt. Nestler begreep in 1904 dat dit principe met een elektrische machine op aan mensen vastzittend haar kon worden toegepast, zonder gevaar voor verwondingen van de hoofdhuid. In Duitsland en Frankrijk wilden de kappers er niet aan omdat ze bang waren dat het apparaat hen van hun creativiteit zou beroven; het permanent begon zijn zegetocht vanuit Amerika.

Lengte

Hoe lang is lang haar? Op de prenten en schilderijen op de tentoonstelling is het meestal niet te zien. In de meeste eeuwen mogen alleen jonge meisjes hun haar los dragen. In de Middeleeuwen is het het langst, op sommige plaatjes hangt het tot over de billen. Getrouwde vrouwen mochten hun haar toen alleen aan hun man tonen. Gelukkig waren ze zo slim om hun hoeden of mutsen nog aanstootgevender te maken dan hun haar ooit had kunnen zijn. Bovendien konden ze door dit verbod met hun haar geld verdienen: vrouwenhaar was voor pruiken beter geschikt dan mannenhaar omdat het niet blootgesteld werd aan weer en wind. Na de Middeleeuwen was het niet meer godslasterlijk om je getrouwd en bloothoofds in het openbaar te vertonen, maar netjes is een hoofdbedekking altijd gebleven. Bij mannen betekent lang haar meestal tot op de schouders, verder gaan ze niet. Omdat er binnen deze beperking niet zoveel mogelijkheden zijn, is de betekenis van lang en kort haar regelmatig in zijn eigen tegendeel verkeerd. Waren lange lokken in de ene eeuw een teken van vrijheid, in de volgende moesten ze zo snel mogelijk worden afgeknipt om hetzelfde signaal te geven. Alleen bij vrouwen zorgde de schaar voor een ware revolutie, in de jaren twintig van deze eeuw, zodat mannen nu in zekere zin onder de wet van de remmende voorsprong lijden. Vrouwen kunnen kiezen uit een broek en een rok, uit kort en zeer kort, lang en zeer lang haar. De heren kunnen zich zoveel vrijheid nog steeds niet overal permitteren.

Het ideaal

Steil, donkerblond en halflang waren in de Middeleeuwen, de Renaissance, de Pruikentijd, de roaring twenties en de melting seventies net zo saai als nu. Toch is er vooruitgang geboekt. Ik kan me dankzij meneer Nestler en zijn collega's makkelijker dan ooit tevoren van deze kenmerken ontdoen. De vooruitgang betreft echter slechts de techniek, het doel is altijd hetzelfde gebleven. Het is dan ook niet moeilijk vast te stellen wie het mooiste haar uit de geschiedenis heeft. Het is de Venus van Botticelli, waarschijnlijk geschilderd in 1485. Dik is het, en golvend, lang en goudblond, voor Middeleeuwers misschien iets te rossig. Zelfs met de modernste middelen zal ik het nooit zo kunnen krijgen.

Kapsels

De Venus van Botticelli kan het haar los laten hangen, met zulk mooi haar heb je geen kapsel nodig. Maar omdat los haar zelfs voor een pas geboren Venus niet praktisch is, houdt een lint het achterhaar bijeen. En als de schoonheid je niet meer verblindt, zie je dat ook de schaar het schuim der zee een handje heeft geholpen. Het haar vlak naast haar gezicht is veel korter dan het achterhaar. Bovendien heeft Venus een rechte middenscheiding.

Voor mensen met minder mooi haar biedt het kapsel nog veel meer mogelijkheden. Het haar zelf valt veel minder op; bewondering oogsten nu veeleer de wijze waarop het is gekapt en de kunstige versieringen waarmee alles op zijn plaats wordt gehouden. Op de tentoonstelling zijn van deze opsmuk de meeste voorbeelden te zien, in de catalogus toont men liever afbeeldingen van een heel kapsel op schilderijen en prenten.

Aan de basis van de meeste kapsels staan de vlecht, de staart en de knot. In de catalogus is een bijlage opgenomen van de meest voorkomende technieken met handige, maar helaas wat summiere stap-voor-stap-plaatjes. Hoe dezelfde haardracht als La Bella Simonetta (1480), een ingewikkeld vlechtwerk vol parels met als ik het goed zie onder de vlechten nog een mutsje, te fabriceren, of hoe de opgestoken pijpekrullenpracht van Amalie Klein (1834) te evenaren, valt uit deze bijlage niet te leren.

Kapsels hebben vaak leuke namen. De Grieken en Romeinen kenden bij voorbeeld de meloenkop en het fakkelkapsel. Een fakkel verkreeg men door het haar met een breed lint boven op het hoofd vast te binden en de haarpunten er als vlammen uit te laten steken. Voor een meloen werd lang haar in verschillende strengen gescheiden en op de kruin tot een knotje gedraaid. Ook Cleopatra had een meloenkop, en niet het rechte, zwartharige kapsel met een zware pony dat wij nu nog steeds Egyptisch noemen.

De uitzinnigste kapsels droeg de adel aan het hof van de Zonnekoning en, hoe kan het anders, vlak voor de Franse Revolutie. De kapsels van de hertoginnen, baronessen en rijke burgeressen werden zo hoog dat ze in hun koetsen op de grond moesten zitten of hun hoofd uit het raam moesten steken. In het haar werden parels, juwelen en vooral heel veel veren gestoken. In 1782 was het mode om in het haar een flesje water te verbergen, waaruit echte bloemen staken. Een paar jaar later tooide Marie Antoinette haar hoofd met artisjokken, wortels en radijsjes.

Voor dergelijke buitenissigheden moest men vaak zijn toevlucht nemen tot haarstukken of een pruik. Mannen droegen in de zeventiende en achttiende eeuw altijd een pruik, soms gemaakt van hun eigen haar. Zelfs monniken droegen kleine pruikjes, met in het midden een gat voor de tonsuur. Eind zeventiende eeuw werd de pruik big business. Het hoofddeksel werd belast en geroofd. En wit gepoederd, een Engelse soldaat verbruikte rond 1740 al een pond meel per week. In Caen leidde dit gebruik in 1715 tot een opstand. Er was niet genoeg meel meer om brood te bakken.

De Franse Revolutie maakt een eind aan poeder en pruiken. Men grijpt terug naar de haardrachten van de klassieken, ook meloen en fakkel keren weer. De revolutie in haardrachten heeft pas in de twintigste eeuw plaats. Dan pas wordt de schaar het belangrijkste instrument van de kapper. Toch verandert er in de vorm van de kapsels ook weer niet zo veel door deze vernieuwing. De vormen die men vroeger door vlechten en opsteken bereikte, maakt men nu met de schaar en de toupeerkam. Nog steeds wisselen hoog en breed opgemaakt haar elkaar af, met de regelmaat van de klok lijkt het wel.

Betekenis

Moet er aan deze wisselingen in haardracht nu veel betekenis worden gehecht? Zit er meer achter dan dat op kort nu eenmaal langer moet volgen en op langer weer korter, als in een eeuwige maalstroom? Natuurlijk, elke leek kan bedenken dat het afknippen van lang haar in de jaren twintig iets met de emancipatie van de vrouw te maken heeft en dat waar de kapsels uitzinnig zijn, ook de kleding, de voeding en het vermaak exuberante trekken zullen vertonen. Maar om over de minder spectaculaire veranderingen iets te zeggen dat zinnig lijkt is een cultuurhistoricus van het kaliber van Carlo Ginzburg nodig. Op de tentoonstelling wordt gelukkig geen poging gedaan de veranderingen te verklaren, de kammen, pruiken, reukflesjes, scheerschalen, haardrogers en baardverzorgers uit verschillende tijdperken zijn slechts bij elkaar gezet, aan de wanden hangen bijpassende portretten en spotprenten. De catalogus behandelt het kapsel wel chronologisch, maar beperkt zich meestal tot het beschrijven van de verschillende kapsels en de remedies tegen verschrikkingen als haaruitval en vergrijzing, en vertelt en passant de historie van de beroepen kapper en barbier.

Wie door de tentoonstelling loopt, hoeft zich dus niet al te zeer met de historische achtergronden, kaders en contexten te vermoeien en dat is ook wel eens prettig. Hij kijkt en vergelijkt zijn eigen kapsel met dat van zijn voorgangers, een vergelijking die wat schoonheid betreft waarschijnlijk niet al te vaak in het voordeel van de bezoeker zal uitvallen.

Om een overzicht te geven van hedendaags haar konden de tentoonstellingsmakers de schilderkunst niet meer gebruiken. Ze hebben zich gelukkig ook niet beholpen met foto's uit kranten en tijdschriften. In een hoekje van een van de vier zalen is een fotostudio ingericht, waar elke bezoeker zich op zaterdag en zondag kan laten fotograferen. Het mooiste kapsel verschijnt wekelijks in het Hamburger Morgenblatt. Alle gefotografeerde koppen worden op dia naast de fotostudio vertoond. De verscheidenheid is hier groter dan op alle andere afdelingen van de tentoonstelling. Er zijn vlechten en strikken, rattekoppen en permanentjes, hanekammen en suikerspinnen. Bovenal blijkt hier dat ik me voor mijn eigen haar niet hoef te schamen. Diverse malen heb ik op het punt gestaan het museum te verlaten en de eerste de beste kapper binnen te stappen, maar nu kan ik toch tevreden zijn. Mijn steile, donkerblonde haar glanst in het felle licht van de lampen en, als ik weer buiten sta, in de zon, net als dat van iedereen. Het gebruik bestaat niet meer, maar opeens vind ik dat ook mijn haar het best waard is om er na mijn dood een ring of een treurwilgje van te maken.

Die Frisur. Haarmode aus vier Jahrtausenden. Hamburg, Museum fur Kunst und Gewerbe, Steintorplatz 1. T/m 1 juli. Di. t/m zo. 10-17u. Catalogus 'Eine Kulturgeschichte der Haarmode von der Antike bis zur Gegenwart' door Maria Jedding-Gesterling e.a. Uitg. Karl Wachholtz Verlag. 270 blz., 442 ill. 49 DM.