Starre uitgangsposities bij Salvadoraans vredesoverleg

MEXICO-STAD, 17 mei - Voorafgegaan door verbale demonstraties van intense vredeswil, in een ronduit gunstig internationaal klimaat, maar toch zonder hooggespannen verwachtingen zijn de Salvadoraanse regering en de linkse guerrillabeweging FMLN gisteren in de Venezolaanse hoofdstad Caracas voor de zesde keer in zes jaar begonnen aan vredesoverleg.

Sinds de laatste mislukte vredespoging afgelopen oktober in Costa Rica, is de Oost-Westtegenstelling, die de langdurige burgeroorlog een extra sinistere dimensie gaf, verder vervaagd. Vanuit het Amerikaanse Congres nam de druk op de rechtse ARENA-regering van president Alfredo Cristiani om plooibaarheid te tonen sterk toe. En hoewel het Nationale Bevrijdingsfront Farabundo Marti (FMLN) zich tot op redelijke hoogte zelf kan bedruipen, betekende het wegvallen van het naburige sandinistische regime in Nicaragua niettemin een ernstige tegenslag. Kans op een doorbraak dus? Alvaro de Soto, die namens de Verenigde Naties bemiddelt in de zoveelste - en deze keer strikt besloten - vredespoging zei dinsdag in Caracas: 'Laten wij niet te veel verwachtingen koesteren. Een tienjarige burgeroorlog is niet van vandaag op morgen op te lossen'.

Zijn behoedzaamheid valt alleszins te rechtvaardigen.

De conservatieve burgerregering van president Cristiani stelt zich afwachtend en afhoudend op en ontplooide tot dusverre geen enkel initiatief. Zij staat bovendien vrijwel onder curatele van de corrupte, gediskrediteerde maar nog altijd machtige strijdkrachten. Minister van justitie Oscar Santamaria wordt als onderhandelingsleider behalve door drie juristen dan ook terzijde gestaan door kolonel Antonio Martinez, minister van binnenlandse zaken en door kolonel Maurizio Vargas, de belangrijkste militaire commandant in San Salvador. Een nauwelijks soepel te noemen begeleiding.

Omgekeerd brengen de linkse rebellen in Caracas een document op tafel dat in grote lijn dezelfde eisen bevat die bij eerder overleg op een absoluut veto van de Salvadoraanse regering stuitten. Het FMLN eist namelijk zuivering en vermindering van de strijdkrachten, onderwerping aan het burgerlijke gezag, afschaffing van veiligheidsdiensten, democratisering van de samenleving door middel van hervorming van de grondwet en van de juridische en electorale systemen. Dit alles gecompleteerd met bijpassende tijdschema's. President Cristiani tekende al bezwaar aan tegen tijdschema's van het FMLN voor de beeindiging van de burgeroorlog. En de regeringsdelegatieleider Santamaria liet bij aankomst in Caracas weten dat alles bespreekbaar is, mits het geen gevaar oplevert voor 'de institutionaliteit van de natie'. Een belangrijk verschil met het vredesoverleg van afgelopen oktober is echter dat sindsdien duidelijker dan ooit is aangetoond hoe intens rot die institutionaliteit in El Salvador is. Tijdes een ongekende krachtmeting tussen het FMLN en het regeringsleger in San Salvador najaar vorig jaar, werden op 16 oktober zes jezuieten-hoogleraren van de Universiteit van Centraal-Amerika in de hoofdstad en hun huishoudster en haar dochter op beestachtige wijze afgeslacht. Pas begin dit jaar werden onder intense druk van de Verenigde Staten en met name van het Congres acht beklaagden gevonden: kolonel Alfredo Benavides, hoofd van de militaire academie, en zeven soldaten.

Sindsdien toonde president Cristiani zijn onmacht door 'binnen negentig dagen' een proces aan te kondigen dat echter nog altijd op zich laat wachten. De Salvadoraanse rechterlijke macht bewees eveneens haar impotentie in een land waar ondanks alle gruwelen van het afgelopen decennium nog nimmer een officier werd veroordeeld. En de door Amerika getrainde en bevoorraade militairen bewezen nogmaals dat zij een boven alles verheven 'elite' vormen, die gewoon doet wat zij wil.

Zo vernam The New York Times eerder deze maand uit kringen van het Salvadoraanse hooggerechtshof dat de voornaamste documenten, die op de schuld van kolonel Benavides en zijn manschappen wezen, zijn verdwenen. Verder bleken de vier kadetten, die tijdens de nacht van de moordpartij de militaire academie bewaakten - en dus het in- en uitgaande verkeer konden waarnemen - op cursus te zijn gestuurd naar Panama en de Verenigde Staten. Andere getuigen kwamen - vrijwel zeker onder militaire druk - niet opdagen. En de met de zaak belaste rechter Ricardo Zamora liet het Amerikaanse blad weten: 'Ik werk op het scherp van de snede'. Maar na furieuze reacties in het toch al geirriteerde Amerikaanse Congres liet een zegsman van de Salvadoraanse president Cristiani onverwijld weten dat 'binnen zestig a negentig dagen' een proces kan worden verwacht. Bovendien zijn de vier naar het buitenland verwezen kadetten-getuigen van de militaire academie inmiddels naar San Salvador teruggeroepen.

Diplomaten in de Salvadoraanse hoofdstad betwijfelen echter of het na de verdwijning van de bezwarende documenten tegen kolonel Benavides c.s. nog wel tot veroordelingen zal komen. Bovendien vragen zij zich af of de kolonel op eigen initiatief liet moorden. Uren voor de dood van de jezuieten kwam de legertop bijeen in een gebouw van de Nationale Inlichtingendienst en uren daarna opnieuw. Een onderzoek naar de notulen bleek tot nu toe onmogelijk.

De vraag is of het FMLN tijdens het huidige overleg in Caracas uit deze beerput voordeel kan putten en meer gehoor zal vinden voor zijn pleidooi tot hervorming van het huidige Salvadoraanse systeem. De voornaamste hoop van de rebellen is uiteraard gevestigd op het Amerikaanse Congres dat juist dezer dagen discussieert over voortzetting van de hulp aan het Middenamerikaanse land. Naar verluidt voelt de Democratische meerderheid in het Huis van Afgevaardigden er voor om voorwaarden te stellen aan het verleden van de helft van het totale hulppakket van 125 miljoen dollar. De regering-Bush zou dan dus 62,5 miljoen moeten inhouden als er geen behoorlijk proces komt tegen de daders van de jezuietenmoord, of als de Salvadoraanse regering zich in Caracas niet constructief opstelt. Omgekeerd zou het volledige militaire hulppakket van 125 miljoen worden geleverd ingeval de guerrilleros gebrek aan vredeswil of nieuwe agressie tonen.

Minister van buitenlandse zaken James Baker heeft tegenover het Congres toegegeven dat er inderdaad voorwaarden moeten worden gesteld aan de militaire hulpverlening aan El Salvador, maar wil dat uitstellen tot het volgende fiscale jaar.

Volgens een militaire zegsman in San Salvador zou een eventuele opschorting van Amerikaanse militaire hulp beslist geen gevolgen hebben voor het Salvadoraanse leger, maar wel voor de Salvadoraanse bevolking. Met andere woorden, dan hevelen wij begrotingsgeld over van de burgerlijke naar de militaire sector. Hij voegde daar aan toe: 'Geen enkele beschaafde samenleving in de wereld kan zich sociaal en economisch ontwikkelen zonder een gewapende instelling die haar beschermt tegen destructieve actie'.