Prinses Priegel en Zieltje Zorgeloos

Zijn er krokodillen in Amsterdam? Jazeker. Voor krokodillen hoef je net zo min op wereldreis als voor olifanten of reuzenschildpadden. Is er iemand in je buurt die bij stadsdierentuin Artis werkt dan mag je bij de beesten in de hokken. Voor een grote slang kun je nog dichter bij huis terecht. Je staat op straat. Een jongeman spreekt je aan: 'kijk eens?'. Hij maakt een roodgelakt kistje achterop zijn fiets open en haalt zo'n reptiel tevoorschijn. Een boa constrictor, een python? Ik weet het niet. Geschubd, gevlekt, groot, dat wel. Een Slang, dus. En je mag 'm nog onder zijn kin krauwen ook.

In de film Krokodillen in Amsterdam is alles mogelijk, heeft maakster Annette Apon besloten en ze voerde dat idee uit volgens het stramien van bovenbeschreven voorbeeld - terloops, zo min mogelijk gewrongen; steeds gepresenteerd als quasi-realiteit, nooit is er sprake van een uit de hemel vallend mirakel. Het toeval speelt een grote rol, maar ook onverwachte mogelijkheden van de personages. Of hun ideeen, die zich soms zo plotseling voordoen dat ze er zelf eventjes verbaasd van staan. Dit uitgangspunt leidde Apon naar een genre dat sterk afwijkt van de serieuze, experimentele vertellingen die haar eerdere speelfilms Golven en Giovanni waren. Ze maakte van Krokodillen in Amsterdam een comedy. Geen 'komedie', dat wekt teveel associaties met fel van de tongriem gesneden blijspelen. Het gaat hier om een komische film met Angelsaksische slapstick-elementen, met Amerikaans absurdisme a la Laurel en Hardy. De twee hoofdpersonen van Apons film zijn een vergelijkbaar niet aan elkaar aangepast duo en juist daarom geknipt voor elkaar.

Nina (Yolanda Entius, zij schreef mee aan het scenario) en Gino (Joan Nederlof) lijken helemaal niet op elkaar. Gino kan niet serieus zijn, Nina niet speels. Ze zijn karikaturen, een Pietje Precies en een Zieltje Zorgeloos waarbij Apon van Nina een bokkig clowntje maakte en van Gino een nuffig Prinses Priegeltje, beiden voorzien van de vereiste motoriek in hun spel. Door een uitgewogen gedoseerde nuancering zien we ze gaandeweg de film naar elkaar toegroeien.

Nina is een plomp meisje dat zich zorgvuldig hult in onflatteuze slobberkleren. Ooit heeft ze een voor de handliggender meisjesbestaan gekend. Er is sprake van een Oma op wie ze dol was en van een Emilio bij wie ze 'in Spanje' ging wonen. Blijkbaar is er iets misgelopen. Oma is dood, Emilio is nergens te bekennen en Nina denkt alleen nog heel af en toe aan mooie jongens en dan nog stiekem. Ze heeft haar leven in dienst gesteld van het bereiken van 'een betere wereld'. Daarbij schrikt ze, samen met een militant groepje harde-actievoerders, niet terug voor een aanslag op een wapenfabriek of het beroven van de eigenaar van een chique bontzaak.

Gino is dol op mannen, op mooie kleren en op dure spullen. Ze is een chronisch impulsief type, wie een quasi-naief 'ik ben van gedachten veranderd' in de mond bestorven ligt. Gino heet helemaal geen Gino, die naam bedacht ze als gril, op het moment dat ze hoorde dat Nina Nina heette. Gino geeft zo direct toe aan haar dromen en wensen dat het lijkt of de praktische Nina geen dromen heeft. Maar gelukkig blijkt Nina het liefst onder de blote sterrenhemel te slapen en dat doe je niet als je niet een beetje fantasie hebt.

Nina noemt Gino een verwende opportunist, Gino noemt Nina een zeur. Ze hebben allebei gelijk en toch laten ze zich kennen als vriendinnen voor de eeuwigheid. Krokodillen in Amsterdam gaat nergens anders over dan over de oprechtheid van hun wederzijdse vrienden-liefde. Hun eenzaamheid is hun enige overeenkomst en ze zijn voor elkaar het medicijn.

Zoals dat hoort in dit genre raken de twee meiden, met hun ruzies en hun onbesuisde besluiten, verzeild in de meest merkwaardige situaties, om niet te zeggen perikelen, en is er geen probleem zo onoverkomelijk of ze hebben er een antwoord op. Krokodillen in Amsterdam is een comedy zoals Apons Giovanni een thriller was: een beetje onbeholpen maar bij momenten goed geslaagd. Een scene als het voor gek zetten van de trouweloze minnaar nadert in zijn vaart aan het niveau van een Blake Edwards, net als de timing van bepaalde incidentjes. Maar voor een komiek intermezzo met twee eenzame honden (hun dialoogje worden we gewaar met een titelkaart) mist Apon de flair van laten we zeggen Mel Brooks en voor een scene volgens de slapstick-conventie van het om de beurt iets van elkaar vernielen beheerst Apon onvoldoende de cameraregie.

Er valt veel te lachen bij Krokodillen in Amsterdam. Veel dialogen zijn hilarisch-cynisch van toon en onze emotie wordt aangesproken door de ontroering waarmee Apon haar personages en hun liefde bekijkt. De moeilijkheid is dat het daarbij blijft. Naar motieven mag niet gevraagd worden en een plot ontbreekt. de film begint ergens en eindigt zomaar, met de twee meiden in een stoel in een weiland. En ze leefden nog lang en gelukkig, zomaar, omdat ze elkaar hebben getroffen. Je ziet dat ze het met elkaar zullen redden, maar verder blijven er veel vragen zonder antwoord. Allerlei uitgezette sporen, lijnen en tekens fladderen los rond in een geheel zonder samenhang. De mooie flitsen uit een andere tijd die zich soms even een weg baanden door het vlies van het filmheden heen - het verleden, de gelijktijdige droom -of gedachtenwereld van elk van de meisjes, en ook de toekomst - worden net zo min geplaatst als de raadselachtige kleur blauw die de vriendinnen tot magie en telepathie beweegt zodra hij zich voordoet. Natuurlijk, de comedy-filmer moet niet alles uitleggen en verklaren. Maar hij moet zijn publiek wel zo betoveren met onverwachte invallen en ontwikkelingen dat het de losse eindjes van zijn film niet meer registreert. Een fenomenale, alles omverblazende climax, dat mist Krokodillen in Amsterdam.