Middelburg brandde als een fakkel

MIDDELBURG, 17 mei - 'Een grote vuurzee, en bijna geen mensen, materiaal, en water om de vlammen mee te blussen. Wij dachten: er is geen houden meer aan. Middelburg is verloren'.

Vandaag, 17 mei, is het vijftig jaar geleden dat de Duitsers de binnenstad van Middelburg bombardeerden. Terwijl de rest van Nederland zich drie dagen daarvoor, na het bombardement op Rotterdam, had overgegeven, werd in Zeeland de strijd voortgezet. Totdat Duitse Heinkel III-vliegtuigen hun brand- en brisantbommen op de Zeeuwse hoofdstad loslieten. Tweeentwintig burgers kwamen om, achthonderd gezinnen werden dakloos en ruim zeshonderd gebouwen werden verwoest. Nog voor de dag voorbij was, had ook Zeeland zich overgegeven. Vanmiddag woont prinses Juliana de herdenkingsplechtigheid bij in de Nieuwe Kerk in Middelburg. Na afloop onthult zij een monument.

De 75-jarige W. Verstraate uit Middelburg zal er samen met zijn vrouw ook bij zijn. Zij hebben, zo vindt hij, alle reden om de 17de mei te herdenken. Verstraate, toen 25 jaar, raakte die dag, samen met zijn ouders, broer en zusje, in een klap dakloos nadat een bom hun fruitwinkel en het bijbehorende woonhuis in vlammen had doen opgaan. 'Alles was verloren, we hadden niets meer over. In een dag raakten we berooid.'

Zijn vrouw, nu 76, maakte ongeveer hetzelfde mee. De kruidenierszaak van haar ouders en de woning die zich in hetzelfde pand bevond, werden verwoest. Het gezin zelf was op het moment van de ramp al gevlucht, maar de duiven die achter het huis werden gehouden, overleefden het niet. De hond die de kar trok waarmee haar vader zijn waar verkocht, werd wonder boven wonder door brandweerlieden gered. 'Verder waren we alles kwijt. Toen we ons huis verlieten, hadden we er geen idee van dat we het nooit meer terug zouden zien. Wisten wij veel. We hadden toen nog nooit een verwoesting meegemaakt.'

Rotterdam was een paar dagen daarvoor gebombardeerd. 'Via de radio hadden we daar wel van gehoord. Maar wat dat betekende was niet tot ons doorgedrongen.' De ernst van de situatie werd in de loop van de dag duidelijk toen zij en haar familieleden in het huis van een tante aan de rand van de stad rookwolken en vlammen boven Middelburg zagen opstijgen. 'Het was verschrikkelijk', herinnert zij zich. 'We zaten de hele dag maar te wachten en te kijken. We konden niets doen, en waren doodsbang.'

Het gemeentebestuur van Middelburg had wel voorzien dat de stad in de vuurlinie zou komen te liggen. Nadat Rotterdam was gebombardeerd, werden voorbereidingen getroffen om de bewoners van de Middelburgse binnenstad te evacueren naar omliggende dorpen. Op de ochtend van het bombardement was de stad dus goeddeels verlaten. Aan de ene kant, vindt W. Gast, nu 66, maar vijftig jaar geleden het jongste hulpje van het Middelburgse brandweerkorps, was dat een goede zaak. Er zijn immers relatief weinig slachtoffers gevallen. 'Maar aan de andere kant is er daardoor wel veel meer schade aangericht aan de gebouwen. Het vuur had vrij spel. Er was bijna niemand om te blussen. Tal van historische gebouwen, waaronder de middeleeuwse abdij en 17de- en 18de-eeuwse woonhuizen gingen in vlammen op. Na de oorlog werd een aantal gebouwen weer in oude stijl opgebouwd.

Sommige gebeurtenissen van de 17de mei 1940 staan in Gasts geheugen gegrift. Zoals de tocht door de verlaten binnenstad die hij en vier collega's maakten op weg naar de eerste brand: die bij het Entrepot, een van de beeldbepalende Middelburgse monumenten uit de periode van de Verenigde Oostindische Compagnie. 'We duwden ons brandspuitje over de straten. Ter hoogte van de militaire kazerne vloog er een Duitse jager over. Hij zag natuurlijk onze blinkende spuit en beschoot ons.'

De kogels misten doel en verdwenen in een muur. Gast kan de plaats nu nog aanwijzen. De brandweermannen trokken verder naar het Entrepot. 'Toen we daar net aan het blussen waren, kregen we opdracht met z'n allen naar het stadhuis te gaan, want dat stond ook in brand.'

Achteraf heeft hij spijt dat hij ernaar toe is gegaan. 'Het Entrepot stond toen nog maar voor een klein deel in brand. Als een klein groepje brandweermannen daar had doorgeblust, hadden we in elk geval een deel van het gebouw kunnen redden.'

De binnenstad brandde inmiddels als een fakkel. De druk op de waterleiding was weggevallen; de brandweerlieden stonden machteloos. 'Als je voor het vuur stond, leek het net alsof het stormde. Mijn broekspijpen klepperden in de wind. Ik moest tegen de spuitwagen leunen om me staande te houden. Het was het vuur dat alle zuurstof naar zich toezoog.' De 25-jarige Verstraate ondertussen kon het op zijn evacuatie-adres niet uithouden. 'We hoorden dat er in de stad groot gebrek was aan hulp, dus mijn zwager en ik gingen erheen.'

Zij namen meteen een kijkje bij zijn ouderlijk huis in de Spanjaardstraat. Het stond er nog. Aan het eind van de dag wilde Verstraate weer naar huis om even een jas te gaan halen. 'Toen ik er bijna was, zag ik dat de Waalse Kerk, vlak bij onze woning, al brandde. Ik wist toen dat ons huis er ook aan zou gaan.'

Snel rende hij de trappen op naar zijn slaapkamertje op zolder en pakte zijn jas. 'Ik heb nog met mijn zakhorloge in mijn hand gestaan. Maar ik hoorde het vuur al loeien, dus heb ik het weer teruggelegd en ben snel weggegaan.'

De volgende dag, toen hij weer terugkeerde, was er van het huis niets meer over. Zijn verdere leven hield Verstraate spijt dat hij niet meer dan zijn jas gered had, toen het nog kon.