Front kent twijfels over privatisering Roemeense boeren

GRADISTEA/ BOEKAREST, 17 mei - Hanen zo groot als in Gradistea komt men zelden tegen. Omringd door hun kippen paraderen ze heerszuchtig door de uitgestorven straten van het dorp en de Roemeense revolutie heeft daar niets aan veranderd. Gradistea is een dorp in de vlakte ten noordwesten van Boekarest. Het staat niet eens op de kaart. Wellicht om die reden is het lange tijd uit communistische handen gebleven: pas in 1960 heeft de in 1949 begonnen collectivisatie van de landbouw er toegeslagen. Stefan Alexandru (66) zal het nooit vergeten. Van de ene op de andere dag was hij acht hectare land, een paard een wagen en al zijn gereedschap kwijt. De drie jaar daarop volgend heeft hij op de collectieve boerderij gewerkt. 'Bij dieven en stommelingen.' In 1964 heeft hij zich teruggetrokken op de anderhalve hectare die hij had mogen houden. 'We hebben overleefd en zelfs een beetje meer dan dat. We hebben telefoon en dat is heel wat in een dorp met nog geen 15 toestellen.' Stefan Alexandru biedt een handje nog niet zo rijpe kersen aan en zijn vrouw Constanta, vier gouden tanden en een zwarte hoofddoek, schenkt de huiswijn. Nichtje Maria (3), een bleekneusje uit de stad dat zeer permanent bij oud-oom en -tante woont, staart, op haar hurken zittend tussen de aardbeiplanten, naar het vreemde bezoek.

Gisteren was een historische dag voor de Alexandru's. Ze hadden het papier ontvangen dat hen weer eigenaar maakt van drie hectare van hun land. Een vrucht van de revolutie. Begin maart hadden duizenden boeren er in Boekarest voor gedemonstreerd, voor teruggave van hun grond. De voorlopige regering besloot daarop dat elke boer vijf hectare in eigendom mag krijgen. De Alexandru's hebben maar drie hectare gekregen. Stefan: 'De collectieve boerderij hier heeft besloten dat gepensioneerden zoals ik maar drie hectare krijgen. Het blijven dieven'. Roemenie was bij de communistische machtsovername een agrarisch land. Eind jaren veertig vond driekwart van de bevolking haar bestaan in de landbouw. Veertig jaar en een weinig zachtzinnig verlopen collectivisatie later, waarbij 80.000 Chiaburi (Roemeense Koelakken) aan de dwangarbeid werden uitgeleverd, geeft de beroepsbevolking een geheel ander aanzien. Nog maar een kwart van de Roemenen werkt in de landbouw, waarbij de vrouwen en gepensioneerden een meerderheid vormen. De landbouwgrond is voor zeker 85 procent 'collectief bezit', opgedeeld in 320 staatsboerderijen en 3.700 cooperatieve landbouwbedrijven. Het leeuwedeel van de agrarische produktie komt echter uit de kleine private sector, een bekende figuur bij socialistische experimenten. Enkele Roemeense cijfers (van de Wereldvoedselorganisatie): 22 procent van de mais, 60 procent van de aardappelen, 40 procent van de groenten, 60 procent van de melk en 44 procent van het vlees komt uit de privesector. Overtuigend mag bewezen zijn dat collectieve landbouw niet werkt. Maar het Front van Nationale Redding, de gedoodverfde winnaar van de zondag te houden verkiezingen, neemt daarover een genuanceerder standpunt in. Het Front verwerpt de gedachte dat alle grond weer in particuliere handen moet komen, zoals vooral de oppositionele Nationale Boerenpartij hoog in het vaandel heeft staan. De oppositie weet genoeg: het Front is voorstander van collectieve landbouw en dus zijn het neo-communisten. Eugen Chivu, woordvoerder van het Front: 'Het land teruggeven aan de eigenaren van voor 1949 werkt niet. Ze zijn dood of bejaard en eventuele erfgenamen en kinderen hebben het platteland vaak allang verlaten. Wat moeten die met acht of tien hectare land beginnen? 'Land verkopen zien wij evenmin als oplossing. De agrarische bevolking veroudert snel en steeds minder jongeren hebben een agrarische achtergrond of opleiding. Vergeet niet dat in de laatste jaren onder Ceausescu de oogst vooral door militairen, schoolkinderen en bejaarden werd binnengehaald.

Wij beginnen bij vandaag met redeneren', zegt Eugen Chivu, 'niet bij 1949. De structuur van de landbouw is volledig veranderd in 40 jaar, de beroepsbevolking is volledig veranderd. Privatiseren is echt een mythe voor wie van de gegeven omstandigheden uitgaat.' Het Front maakt in zijn programma onderscheid tussen eigendom en marktordening. Het verklaart zich voorstander van een markteconomie en zegt volledig te willen breken met centrale planning. Op die manier hoopt het ook de collectieve boerderijen 'aan de gang te krijgen', wanneer vrije prijzen en concurrentie eenmaal hun intrede hebben gedaan. Stefan Alexandru, aan de huiswijn onder zijn kerseboom in Gradistea, zegt 'de propaganda' te kennen en hij gelooft er niks van. 'Als ze echt voor een vrije markt zijn, zouden ze die grond wel verkopen. Dan regelt zich dat vanzelf wel, toch? De luiste en de domste mensen zijn op de collectieven blijven hangen. Wie echt iets kon of wilde werkte zoveel mogelijk voor zichzelf of ging naar een fabriek waar veel meer te verdienen viel. Het Front verkoopt allemaal mooie praatjes. Ik heb dat eerder meegemaakt, na de oorlog. Straks na de verkiezingen pakken ze alles weer af. Niet werken en stelen van wie wel werkt, dat willen ze. En dat mooie leven laten ze zich niet afpakken. Ze hebben bij de collectieve boerderij hier in het dorp een nieuwe president gekozen. Hij was de belangrijkste verrader aan de Securitate in Gradistea. Dat weet iedereen. En zo'n vent kiezen ze. Dan weet je wel wat voor lui daar de dienst uitmaken.' In het hoofdgebouw van het collectief, elders in het dorp, is alleen Dorina Andrei aanwezig, in een vaal wit schort achter een bureau, boekhoudster sinds 20 jaar. Ze wil eerst geen vragen beantwoorden. 'We werken hard, de oogsten zijn altijd goed, we zijn gelukkig', meldt ze. Nee, ze is geen voorstander van een drastische privatisering. 'Ik zei toch dat de oogsten goed zijn?!' Wat ze zondag gaat stemmen? 'Front natuurlijk. Dank zij het Front mag ik weer met mijn auto naar kantoor komen, is het hier binnen de afgelopen winter niet zo koud geweest, en kan ik weer koffie kopen. We zijn hier echt allemaal heel gelukkig nu.'