ONDERNEMERS OP HET MATJE; Rechtscollege oordeelt over beleidvan bedrijven

De Ondernemingskamer toetst sinds 1970 de 'maatschappelijkeverantwoordelijkheid' van ondernemingen. Geen land in de wereld, waarrechters zo vergaand kunnen ingrijpen in het beleid en in de besluitvormingvan ondernemers als in Nederland. Portret van een uniek rechtsprekend college waarover iedereen tevreden is.

Pieter Lakeman hoeft, als hij het bescheiden kantoor van zijn Stichting Onderzoek Bedrijfsinformatie (SOBI) verlaat, slechts een klein stukje de Prinsengracht af te lopen en schuin de Leidsestraat over te steken om bij het Amsterdamse gerechtshof te komen. De nabijheid van het hof was de afgelopen jaren voor Lakeman een groot gemak. Minstens twintig keer sleepte hij een bedrijf voor de Ondernemingskamer van het gerechtshof, omdat (volgens SOBI) de jaarrekening van die bedrijven niet deugde. In ruim de helft van die zaken kreeg Lakeman gelijk. Als zijn belangrijkste successen beschouwt hij de uitspraken van de Ondernemingskamer in zaken tegen Hollandse Betongroep, Slavenburgbank en verzekeringsmaatschappij Aegon. Deze drie ondernemingen hadden bepaalde lasten (betreffende achtereenvolgens de liquidatie van een deelneming, een toevoeging aan de 'stroppenpot' en de kosten van een fusie) van het vermogen afgeboekt buiten de verlies- en winstrekening om. Zo werd het zicht op het vermogen en het resultaat te veel versluierd, oordeelde de Ondernemingskamer. Sindsdien weten bedrijven waaraan ze zich hebben te houden bij het verantwoorden van bijzondere lasten.

Lakeman mag voor velen een querulant zijn, zijn oordeel over de Ondernemingskamer is vol genade. Hij spreekt van 'een gespecialiseerde rechtbank, die in staat is en durft te beoordelen of het verhaal van een ondernemer iets voorstelt, of puur uit de lucht gegrepen is'. De Ondernemingskamer is een college van vijf personen: een vaste kern van drie leden van het gerechtshof en daarnaast twee 'raden', oftewel leken-rechters. Zij nemen zonder toga en witte bef plaats op de stoel van de rechter. De raden worden, per zaak, gerecruteerd uit een groep van zestien deskundigen: accountants, hoogleraren en oud-ondernemers en -vakbondsbestuurders.

Verantwoordelijkheid

De instelling van de Ondernemingskamer in 1970 was een uitvloeisel van in de jaren daarvoor ontwikkelde gedachten over de 'maatschappelijke verantwoordelijkheid' van ondernemingen, vooral de verantwoordelijkheid jegens aandeelhouders en werknemers. Die opvattingen leidden tot de invoering van de wet op de jaarrekening, uitbreiding van het zogenoemde enqueterecht en wijziging van de wet op de ondernemingsraden (WOR). De Ondernemingskamer beoordeelt of bedrijven zich aan de wet houden.

De laatste jaren hebben vooral ondernemingsraden de weg naar de Ondernemingskamer gevonden. Sinds 1979 kunnen ondernemingsraden in beroep gaan tegen (voorgenomen) economische en organisatorische besluiten van hun directie. Dat betreft bij voorbeeld beslissingen over bedrijfssluiting, inkrimping, fusie, investeringen, reorganisatie of automatisering. Allemaal onderwerpen waarbij de ondernemingsraad adviesrecht heeft.

Per jaar behandelt de Ondernemingskamer ongeveer vijftig 'WOR-zaken'. Zo stonden vorige week donderdag de ondernemingsraad en de directie van het Zaanse ziekenhuis 'De Heel' voor de Ondernemingskamer. De ondernemingsraad liet de directie eind vorig jaar weten dat hij pas advies wenste uit te brengen over de investeringsbegroting voor 1990 als de directie de daarin vervatte keuzen zou hebben gemotiveerd, liefst in een beleidsplan. De ondernemingsraad kreeg de gevraagde toelichting niet, merkte dat de directie wel investeringsuitgaven deed, en ging in beroep. De eis: stopzetting van het investeringsprogramma en het ongedaan maken van gedane investeringen. 'Het geeft een onaangenaam gevoel als je niet weet waarover je advies moet uitbrengen', aldus de voorzitter van de ondernemingsraad, C. van Groningen. 'Wij willen best aan een beleidsplan werken. Maar de vraag om dat te koppelen aan het investeringsprogramma voor dit jaar was belachelijk. Het opstellen van een ziekenhuisbeleidsplan kost jaren', aldus het weerwoord van directeur D. van der Meer. Die kwalificeert het beroep van de ondernemingsraad als 'zonde van het geld en de tijd'.

Waar Van Groningen tegenover stelt, dat het 'weinig open overlegklimaat' de onderneminsgraad weinig andere keuze liet. (De uitspraak is op 21 juni.)

Belangen

Is het conflict in het Zaanse ziekenhuis vooral een uiting van een moeizaam overlegklimaat, in andere zaken staan soms grotere belangen op het spel. Vaak gaat het om reorganisaties, in een enkel geval om bedrijfssluiting. Twee jaar geleden besloot de directie van het Amerikaanse bedrijf Fluke, producent van meet- en regelapparatuur, een vestiging in Tilburg, waar tachtig mensen werkten, te sluiten. Dat zou het concern een besparing van een miljoen gulden opleveren. De ondernemingsraad ging in beroep. De Ondernemingskamer gelastte intrekking van het besluit omdat Fluke nauwelijks aandacht had besteed aan de sociale gevolgen van de sluiting. Vorig jaar ging het, op zichzelf rendabele, bedrijf toch dicht nadat directie en ondernemingsraad het eens waren geworden over een royale afvloeiingsregeling.

Het geval van Fluke illustreert wat een ondernemingsraad bij de Ondernemingskamer kan bereiken: niet dat de directie doet wat de werknemers willen, wel dat de directie hun belangen betrekt in de besluitvorming. De Ondernemingskamer mag niet op de stoel van de ondernemer gaan zitten. Zij beoordeelt niet een besluit op zich, maar stelt alleen de vraag of de ondernemer dat besluit 'in redelijkheid' heeft genomen, na afweging van alle betrokken belangen. 'Marginale toetsing' heet dat.

Binnen dit kader is de Ondernemingskamer streng in de leer. De ondernemer, die het adviesrecht van de ondernemingsraad aan zijn laars lapt, wordt doorgaans teruggefloten. Dat gebeurt ook als besluiten strijdig zijn met eerder aan werknemers gedane toezeggingen. Of wanneer, zoals bij Fluke, de belangen van de werknemers onderbelicht blijven.

In eenderde van de gevallen kreeg de ondernemingsraad tot nu toe gelijk van de Ondernemingskamer. Dat lijkt weinig. Maar er moet bij worden vermeld dat bijna zestig procent van alle beroepsschriften voor de rechtszitting wordt ingetrokken. In dat geval zijn directie en ondernemingsraad het toch nog eens geworden, en heeft de ondernemingsraad meestal zijn zin gekregen.

Bij enquete-procedures is het niet de ondernemingsraad, maar zijn het aandeelhouders, vakbonden of de procureur-generaal van het gerechtshof die het initiatief nemen. Zij kunnen om een enquete vragen als zij 'gegronde redenen' hebben om aan de juistheid van het ondernemingsbeleid te twijfelen. Als de Ondernemeningskamer die twijfel deelt, stuurt zij een onderzoeker het bedrijf in. Op basis van diens verslag concludeert de Ondernemingskamer al dan niet tot 'wanbeleid'. In geval van wanbeleid kan de Ondernemingskamer vervolgens, als partijen daarom vragen, voorzieningen treffen zoals de vernietiging van besluiten of het ontslag van bestuurders.

Zorgvuldigheid

Ook bij enquetes beperkt de Ondernemingskamer zich tot marginale toetsing. Een investering bij voorbeeld kan nog zo desastreus hebben uitgepakt, de Ondernemingskamer concludeert pas tot wanbeleid als zij vindt dat bij het investeringsbesluit bepaalde zorgvuldigheidseisen niet in acht zijn genomen. De enquetes inzake OGEM (uitspraak in 1988) en Bredero (1989) geven aan waar ongeveer de grens ligt tussen fout beleid en wanbeleid. In het geval van Bredero werden wel twee jaarrekeningen alsmede een emissieprospectus waarmee (toekomstige) aandeelhouders grotelijks werden bedonderd, als wanbeleid bestempeld. Een aantal desastreuze investeringsbeslissingen en bouwprojecten, dat tot de ondergang van het bedrijf had geleid, echter niet. 'Een foute beslissing is nog geen wanbeleid', zegt mr. H. Joosten die tot 1 januari 1989 voorzitter was van de Ondernemingskamer. 'De jaarrekeningen waren bewust verkeerd ingericht. Maar van die andere beslissingen was het, toen ze werden genomen, niet zeker dat ze zulke grote verliezen zouden opleveren.' Een verliesgevende transactie van OGEM werd daarentegen wel als wanbeleid gekwalificeerd. Het betrof de overhaaste aankoop, in 1977, van het Duitse bedrijf Beton und Monierbau. Onderzoek ging aan de koop nauwelijks vooraf, zodat pas achteraf bleek dat het Duitse bedrijf corrupt en bijna bankroet was. 'Dat was duidelijk onzorgvuldige besluitvorming', aldus Joosten.

Ten tijde van de enquetes waren OGEM en Bredero al failliet. Het directe gevolg van de enquetes was daarom slechts dat zij het pad effenden voor het persoonlijk aansprakelijk stellen van de Fibbes en de Udinks voor hun wanbeleid. In het geval van de oud-bestuurders en commissarissen van OGEM loopt daarover thans een civiele procedure, een novum in dit land.

Veel andere enquetes hebben wel praktische gevolgen voor de betrokken ondernemingen. De vakbonden wisten via enqueteprocedures enkele met sluiting bedreigde bedrijven open te houden. In 1979 bij voorbeeld concludeerde de Ondernemingskamer tot wanbeleid toen de sigarettenfabrikant BATCO zijn fabriek in Amsterdam wilde sluiten. De sluiting was in strijd met eerder aan de werknemers gedane toezeggingen.

Ondernemerschap

Enquetes als bij OGEM, Bredero en BATCO zijn spraakmakend en dragen bij aan de verheldering van wat de Ondernemingskamer 'elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap' is gaan noemen. De meeste enquetes hebben niet die draagwijdte, maar betreffen (onder andere) ruzies tussen aandeelhouders, vaak in familiebedrijven, of tussen aandeelhouders en de directie. Juist in dat soort zaken komt persoonlijke tragiek om de hoek kijken.

Zo deed de Ondernemingskamer in januari uitspraak in de zaak van vier aandeelhouders tegen het Hengelose bedrijf Joh. Friesendorp. De 73-jarige directeur had zijn bedrijf (met ruim 80 werknemers) laten verslonzen: geen marketing, geen reclame, geen automatisering, geen behoorlijke financiele administratie. Bij ongewijzigd beleid zou het bedrijf naar de knoppen gaan. Hopend op een bekwame schoonzoon, had de directeur zijn ziekelijke, ongediplomeerde en van iedere managementvaardigheid gespeende dochter alvast tot zijn waarnemer benoemd. De Ondernemingskamer stelde wanbeleid vast en benoemde drie commissarissen die naar een nieuwe directeur op zoek moesten.

Zo stelt de Ondernemingskamer orde op zaken in ondernemersland. Geen land ter wereld, waar rechters zo vergaand kunnen ingrijpen in het beleid en in besluiten van ondernemers als in Nederland.

Hebben de uitspraken van de Ondernemingskamer invloed? 'Ondernemers zijn voorzichtiger geworden. Ze zijn het adviesrecht van de ondernemingsraad meer gaan respecteren. Geen enkele ondernemer gaat graag onderuit bij de rechter', zegt de Utrechtse advocaat W. Kroft die regelmatig voor ondernemingsraden optreedt. Als 'werknemersadvocaat' oordeelt Kroft positief over de Ondernemingskamer. 'Ik zou niet kunnen waarmaken dat de Ondernemingskamer zich te voorzichtig, laat staan werkgeversvriendelijk opstelt.' Aan werkgeverszijde klinkt evenzeer waardering. Over het beroepsrecht van de ondernemingsraad, dat nergens zover gaat als in Nederland, zijn werkgevers nooit erg enthousiast geweest. Maar binnen dat kader 'kwijt de Ondernemingskamer zich heel behoorlijk van haar taak', zegt secretaris A. Huntjens van het VNO. 'De beleidsvrijheid van de ondernemer blijft intact.'

Vacature

De zittingen van de Ondernemingskamer, altijd op donderdag, zijn voor de buitenstaander zelden spannend. Maar voor betrokkenen is dat anders, of ze nu Wim Stahlie heten, ondernemingsraadslid bij de Twentse Kabelholding, of R. Hazelhoff, topman van de ABN en president-commissaris bij dezelfde Twentse Kabelholding. Zij troffen elkaar op 2 mei voor de Ondernemingskamer wegens een conflict dat betrekkelijk weinig voorkomt. De ondernemingsraad had bezwaar gemaakt tegen de benoeming van NedLloyd-bestuurder R. Lenterman tot commissaris bij de Kabelholding. In zo'n geval kan de raad van commissarissen de benoeming pas doorzetten na tussenkomst van de Ondernemingskamer. De ondernemingsraad had een eigen kandidaat voor het commissariaat gesteld, in een poging meer vat te krijgen op het doen en laten der commissarissen. Maar van die kandidaat wilden Hazelfhoff c.

s. niets weten. De Ondernemingskamer moet nu beoordelen of de, vooral procedurele, argumenten van de ondernemingsraad voldoende grond vormen om de benoeming van Lenterman te verhinderen. Een der leken-rechters vroeg voorzichtig of het conflict niet in goed overleg viel op te lossen, juist omdat er nog een commissaris-vacature op komst was. Zo zouden beide partijen aan hun trekken komen. 'Nee', repliceerde Hazelhoff. 'Het is onrechtvaardig een vooraanstaand bestuurder als Lenterman die al acht maanden op een benoeming wacht, nog langer in het onzekere te laten.'

Dat Lenterman ook lid van de adviesraad van de ABN is, droeg wellicht bij aan Hazelhoffs hoorbare misnoegen.

De leden van de ondernemingsraad keken en luisterden wat onwennig. 'De meesten waren vooraf wat huiverig', zegt Stahlie. 'Achteraf vonden we dat het goed was gegaan. Het is wel spannend. We wachten vol verwachting op 14 juni.'

Dan rolt de uitspraak van de Ondernemingskamer in de brievenbus.

    • Otto van de Vijver