India koestert soevereine rechten

NEW DELHI, 16 mei - Onder de vele delegaties die voortdurend Washington DC aandoen waren er begin april dit jaar twee die kwamen in verband met 'Super 301'. Dat is de controversiele zwarte lijst van onbetrouwbare handelspartners, opgesteld onder de handelswet (Unfair Trade Practices Act) die het Amerikaanse Congres in 1988 aannam.

De twee delegaties kwamen uit Japan en India, twee van de drie landen die door de Verenigde Staten voor het blok waren gezet (het derde land is Brazilie). De wet voorziet in represaillemaatregelen binnen een jaar als Washington niet een bevredigende regeling heeft kunnen treffen. De tijdslimiet voor de 'Super 301' liep op 16 april 1990 af, en de aanwezigheid van zowel een Japanse als Indiase delegatie werd gezien als een aanwijzing dat beide landen een eventuele handelsoorlog wilden vermijden.

Dit gold vooral voor de Japanse delegatie, die wist dat de de handelswet vooral tegen haar land was gericht. India en Brazilie waren op dezelfde hoop gegooid, niet zozeer om hun handelsbeleid ten opzichte van de export van de Verenigde Staten, maar omdat het Congres niet te zeer anti-Japans wilde lijken. Bovendien hadden India en Brazilie in de ogen van de Verenigde Staten dwars gelegen tijdens de handelsconferentie in Uruguay, en 'moesten zij op de vingers getikt worden', aldus een Indiase krant.

Maar het was het tekort van 46 miljard dollar op de handelsbalans met Japan dat een politiek heet hangijzer werd en dat het Congres ertoe bracht een duidelijk protectionistische en volgens de New York Times 'slechte wet' aan te nemen. De Japanners gingen daarom onmiddellijk aan het werk en bereikten na vier dagen overeenstemming met de Verenigde Staten waarbij zij zich vastlegden om hun markt open te stellen voor supercomputers, telecommunicatie en andere hoogwaardige technologische produkten.

Terwijl het machtige Japan onderhandelde en ten slotte bereid was tot een compromis, begaven de leden van de Indiase delegatie zich naar een enorme hoeveelheid feestjes en bijeenkomsten van de 'Indo-US Business Council'. Ze vertelden iedereen dat de jaarlijkse vergadering van de Council de enige reden was voor hun aanwezigheid in de Amerikaanse hoofdstad. De Indiase regering had het op de lijst zetten van de 'Super 301' verworpen en verklaarde dat zij niet onder druk over de kwestie wilde spreken. En toen Carla Hills, de speciale onderhandelaar van de Verenigde Staten, de zakendelegaties van beide landen toesprak en een beroep deed op de Indiase regering om 'af te zien van regulerende handelsactiviteiten', kwam Bimal Jalan, de in rang hoogste functionaris, met opzet te laat, zodat hij de rede van Carla Hills niet kon horen.

Deze houding toont hoe gevoelig India reageert op ieder teken van inbreuk op de soevereine rechten. De gevoeligheid kan zo ver gaan dat er zelfs economische belangen worden opgeofferd om niet de schijn te wekken te wijken voor de 'taal van het machtsvertoon' van geen blad voor de mond nemende Amerikanen als Carla Hills. De represaillemaatregelen van de Verenigde Staten zouden India zeker kunnen schaden. De Verenigde Staten vormen de grootste afzetmarkt, waar bijna 20 procent van de totale Indische export wordt afgezet (1989: 3,3 miljard dollar). Bovendien had India het voordeel van een handelsoverschot van circa 800 miljoen dollar met de Verenigde Staten, wat voor de Amerikanen niet erg is, maar wat belangrijk is voor India's chronisch negatieve totale handelsbalans.

Veel Indiase industrielen staan welwillend tegenover de kritiek van Amerika. Zij zijn het ermee eens dat de reservering van hele sectoren van de industrie - zoals verzekeringen - voor de staat en de algemene beperking van buitenlandse directe investering tot 40 procent van de aandelen schadelijk voor de economie is, omdat het monopolies kweekt en een schaarste aan industriele investering.

Ze zwijgen echter over het derde punt van kritiek van de VS, dat naar voren gebracht is onder een andere bepaling van de handelswet, genaamd 'Special 301', en die verband houdt met de bescherming van octrooirecht. India wordt ervan beschuldigd een octrooiwet te hebben, waardoor Indiase bedrijven eerder aangemoedigd dan ontmoedigd worden om routinematig Amerikaanse patenten te stelen, met name op farmaceutisch gebied.

Officieel is het standpunt van de Indiase regering dat zij geen internationale wetten heeft overtreden en daarom vrij was om wetten uit te vaardigen over kwesties die binnen het eigen soevereine terrein vallen (zoals nationalisatie van verzekeringsmaatschappijen en banken, zoals vele jaren geleden is gebeurd). Zij houdt ook vol dat de handelswet en de strafbepalingen schendingen zijn van de regels van de GATT (Algemene overeenkomst over tarieven en handel). De betreffende kwesties moeten niet bilateraal worden besproken maar in multilaterale forums zoals de GATT. Het is merkwaardig dat India de GATT noemt als het juiste platform om investeringen, verzekeringen en octrooirecht te bespreken. Bij de conferentie in Uruguay was India de meest vastbesloten tegenstander - men kan wel zeggen dwarsligger - om diensten en octrooirechten toe te voegen aan de GATT-regels.

India heeft van begin af aan zijn best gedaan om oppositie te voeren tegen deze prioriteiten van de Verenigde Staten. Door de regels van de GATT te citeren kon India de Verenigde Staten in verwarring brengen.

Maar de wind in de internationale handel is absoluut gedraaid en blaast India nu recht in het gezicht. Al tijdens de Uruguay-ronde is de tegenstand van India om nieuwe sectoren onder te brengen in GATT-regels grotendeels mislukt en de regering ziet zich nu uitgesloten van deelneming aan het vaststellen van de grondbeginselen die de handel de komende twintig jaar zullen beheersen.