Gouden tijden voor Poolse nomenklatoera

WARSCHAU, 16 mei - 1989 was voor Polen, en de rest van Oost-Europa, het jaar van de bevrijding: het socialisme kwam ten val, de communistische partij werd opgeheven en de politieke nomenklatoera verdween van het toneel. Voor de economische nomenklatoera was 1989 echter een gouden jaar.

Terwijl de Polen massaal verpauperden als gevolg van hyper-inflatie en stagnatie, maakte de economische nomenklatoera van het oude systeem met een nooit eerder vertoond enthousiasme gebruik van de kansen die plotseling werden geboden door de overgang van de plan-economie naar de economie van de vrije markt. 1989 werd voor die economische nomenklatoera het jaar van de gelegaliseerde diefstal.

Meer dan veertig jaar lang hebben de Poolse staatsbedrijven meer slecht dan recht gefunctioneerd in een systeem waarin alle richtlijnen, aanwijzingen en bevelen van boven kwamen en waarin de vrijheid van handelen van de managers beperkt was.

Toen begin vorig jaar de economie werd geliberaliseerd en het mogelijk werd op vrijwel onbeperkte schaal particuliere bedrijven te stichten bleken de directeuren, managers en boekhouders van die staatsbedrijven wel degelijk in staat tot snel en effectief handelen. Zij stortten zich, gebruikmakend van hun positie, hun connecties en hun kennis van een markt vol schaarsten en tekorten, in het particuliere bedrijfsleven. Ze bleven in hun staatsbedrijf werkzaam, maar richtten prive-bedrijven op die een deel van de taak van de staatsbedrijven overnamen. Terwijl die staatsbedrijven steeds verder in de schulden kwamen te zitten, bloeiden de prive-ondernemingen. De Polen verpauperden maar de nieuwe ondernemers - de avant-garde van het nieuwe economische systeem - werden binnen enkele maanden rijk. En veel was niet netjes, veel was niet ethisch, maar legaal was het wel. Er zijn in de eerste helft van vorig jaar meer dan 1.300 van zulke bedrijven gesticht. De bonanza voor de nieuwe ondernemers was voor een deel het resultaat van de discriminatie waaraan de staatsbedrijven waren blootgesteld. Staatsbedrijven waren vorig jaar niet vrij de prijzen van hun produkten en de lonen van hun werknemers zelf vast te stellen: die waren gebonden aan maxima. Prive-bedrijven hadden die vrijheid wel. Niets was in die situatie makkelijker voor de nomenklatoera in de staatsbedrijven dan eigen ondernemingen te stichten en een deel - vaak een groot deel - van de economische activiteit van het staatsbedrijf over te hevelen naar die nieuwe ondernemingen. Die fabriceerden de produkten die het staatsbedrijf niet langer produceerde en plakte wat nullen achter de prijs. Het gevolg: miljoenenwinsten voor de nomenklatoera in de zo noodlijdende staatssector. Een voorbeeld. De directeur van de scheepswerf Odra in Szczecin richtte vorig jaar een particulier bemiddelingsbedrijf op, Moder. Hij benoemde zichzelf tot directeur en zijn secretaris tot onderdirecteur. Moder liep als een trein.

Odra betaalde het nieuwe bedrijfje binnen luttele maanden 33 miljoen zloty uit voor het ontwerp van nieuwe schepen. Moder betaalde de designers 11 miljoen zloty. De winst van 22 miljoen verdween in de zakken van de directeur en de onderdirecteur van Moder, dus van de directeur van Odra en zijn secretaris. Een staalfabriek in Inowroclaw werkte vorig jaar innig samen met een particulier bedrijf, Czas. 158 arbeiders van het staalbedrijf namen onbetaald verlof op, maar werkten intussen gewoon door, op hun eigen werkplaats in de staalfabriek, maar voor rekening van Czas, en voor lonen die 55 tot 120 procent hoger lagen dan normaal. Czas betaalde de staalfabriek een schijntje voor de 'huur' van de arbeiders. De produktie werd op de vrije markt verkocht. Het staalbedrijf - en dus de Poolse schatkist - verloor miljoenen, maar verder was iedereen dik tevreden: Czas, de arbeiders en de directeur van de staalfabriek, want die was eigenaar van Czas. Met de textiel in Polen gaat het zeer slecht. De textielfabriek Bistona in Lodz besloot daar vorig jaar consequenties uit te trekken. Het staatsbedrijf verpachtte zijn machines aan de particuliere onderneming Sabis, tegen een extreem lage prijs, of in sommige gevallen zelfs gratis. Daarbij verplichtte Bistona zich ook de opleiding van de arbeiders van Sabis te betalen en de machines te installeren. Een ander deel van de machines van Bistona werd verkocht, de helft aan staatsbedrijven, de andere helft aan twee particuliere firma's, Sabis en Polrai. De machines werden op hun waarde beoordeeld door onafhankelijke specialisten.

Voor de machines die naar staatsbedrijven gingen ontving de directeur van Bistona - dank zij de goede connecties met de collega's - 234 miljoen zloty, het dubbele van de taxatiewaarde. Voor de machines die aan Sabis en Polrai werden verkocht kreeg Bistona 58 miljoen zloty, de helft van de taxatiewaarde. De staat kreeg voor het hele verkochte machinepark van Bistona dus ongeveer de geschatte prijs. De grote winnaars van de transactie waren Sabis en Polrai. De hoofdaandeelhouder van die twee bedrijven is niemand minder dan de directeur van Bistona. Soms nemen nieuwe particuliere bedrijven staatsbedrijven zelfs in hun geheel over. De fabriek Mazowia in Zielonka, een staatsbedrijf, deed in keramiek tot zij haar poorten moest sluiten. Daartoe werd een contract afgesloten met het particuliere bedrijf Cersil, dat speciaal daartoe met het luttele aandelenkapitaal van 1 miljoen zloty (214 gulden) was opgericht. Cersil nam vijf van de zes produktie-eenheden van Mazowia over. Het contract was zo vaag dat zelfs de betaling niet werd gestipuleerd; juristen kwamen later tot de conclusie dat er waarschijnlijk helemaal niets was betaald. Mazowia werkt als vanouds, maar nu met winst en onder de naam Cersil. Iedereen is zeer tevreden. De arbeiders verdienen een kwart meer dan vroeger en na drie maanden boekte Cersil een winst van 160 miljoen zloty. De aandelen van Cersil bevinden zich in handen van vijf personen: de directeur, de onderdirecteur, een produktieleider, een boekhouder en de juridische adviseur van het ter ziele gegane Mazowia. Dergelijke voorbeelden liggen voor het oprapen. In Zielona Gora werd onlangs ontdekt dat een verlieslijdend staatsbedrijf dertien verschillende tussenhandelaren grondstoffen verkocht voor prijzen ver onder de marktwaarde. Acht van die bedrijven waren voor het grootste deel in handen van de onderdirecteur van het staatsbedrijf, zijn vrouw en zijn dochter. In vier van de particuliere bedrijven was de vrouw van de onderdirecteur zelf directrice of onderdirectrice. Het ongenoegen over deze praktijken is groot, maar niemand weet voorlopig het antwoord op de vraag hoe ze kunnen worden voorkomen of bestraft. Juridisch lijkt er weinig te beginnen tegen deze vorm van gelegaliseerde diefstal, omdat er mazen in de wet zijn benut, maar geen wetten zijn overtreden.

Binnen Solidariteit zijn al stemmen opgegaan om alle particuliere bedrijven die voor 1 januari van dit jaar zijn opgericht, te sluiten. Dat lijkt een onzinnig voorstel, omdat het zou leiden tot een totale administratieve en waarschijnlijk ook een totale economische chaos. Het is bovendien een hoogst onrechtvaardig voorstel, al was het maar omdat het het eind zou betekenen van tienduizenden particuliere bedrijven waar geen luchtje aan zit. Het ziet ernaar uit dat de nomenklatoera-bedrijven, zoals ze worden genoemd, moeten worden opgeteld bij de onfrisse erfenis van het socialisme, hoe onaangenaam dat ook is.