'Black USA' laat vragen open over de zwarte identiteit

'Ik vecht tegen het image van zwarte kunstenaar omdat het te beperkt is. Het betekent dat ze alleen in je werk geinteresseerd zijn om je ras, en niet om de kwaliteit van je kunst', aldus Benny Andrews (1930, Madison, Georgia), een van de exposanten op de tentoonstelling Black USA in Museum Overholland. Toch was Andrews in 1969 een van de oprichters van de actiegroep Black Emergency Cultural Coalition en zijn werk kan naar zijn zeggen niet los gezien geworden van de raciale context: 'Ik moet mijn identiteit blijven ontlenen aan de achtergrond waar ik uit kom, anders verlies ik mijn gevoel voor realiteit'. Voor een soortgelijk dilemma ziet de bezoeker van Black USA zich gesteld. Dient hij deze tentoonstelling benaderen als een kunsttentoonstelling en de kunstwerken beoordelen naar zijn eigen, westerse maatstaven, of is hier de thematiek van de rassendiscriminatie en de huidskleur van de exposanten belangrijker dan de kwaliteit van het geexposeerde? De eerste benadering is de meest objectieve en doet het meest recht aan de kunstenaars. Maar dan rijst onmiddellijk de vraag of de eigen maatstaven wel toereikend zijn en of het hier niet een apart soort kunst betreft, 'negerkunst' dus, met eigen normen en een eigen verbeeldingswereld. Zo constateert bijvoorbeeld June Kelly, de enige zwarte galeriehoudster op vijfhonderd galeriehouders in New York, dat de 'zwarte verbeelding alleen zwarten aanspreekt'.

Door JANNEKE WESSELING

Wat is dan het eigene van dit soort kunst? Christiaan Braun, directeur van Museum Overholland, omschrijft Black Art als 'kunst van zwarte persoonlijkheden, waaruit een sterke zwarte identiteit spreekt'.

De eerste helft van de definitie spreekt voor zichzelf, maar de tweede helft roept weer dezelfde vragen op. Een kunstwerk heeft dus 'een zwarte identiteit' wanneer het de thematiek van rassenongelijkheid verbeeldt. Zo zei Romare Bearden (1912-1988): 'Ik werk vanuit de behoefte en de noodzaak om het mensbeeld opnieuw te definieren in termen van het zwarte levensgevoel dat mij het meest vertrouwd is'.

Robert Colescott (1925) stelt in zijn werk 'de vanzelfsprekendheid waarmee de westerse, blanke cultuur haar normen oplegt aan andere culturen' ter discussie. En voor museum Overholland wappert een 'zwarte' variant op de Amerikaanse vlag, ontworpen door David Hammons, met zwarte en rode (symbool voor bloed) strepen, en een groen veld (de aarde) dat bezaaid is met zwarte sterren. De enige uitzondering in dit geheel is Martin Puryear, die zich geheel van commentaar onthoudt. Hij won in 1989 als afgevaardigde van de Verenigde staten de eerste prijs op de Biennale van Sao Paolo. Hij is ook de enige die abstract werkt.

Katoenplantage

Black USA is dus in de eerste plaats een programmatische tentoonstelling die de rassenproblematiek tot onderwerp heeft. Uit een verslag in de Haagse Post van de zoektocht van Braun naar 'zwarte beeldende kunst' blijkt hoezeer hij zich met deze problematiek heeft geengageerd. Zo is de aanwezigheid van de tekeningen van Bill Traylor (1954-1947) op de tentoonstelling vooral een hommage aan een man die ooit als slaaf geboren werd op een katoenplantage en op 84-jarige leeftijd, geheel berooid, begon met tekenen, zittend op het trottoir in de buurt van de spoorlijn in de stad Montgomery, Alabama. Met kleurpotlood tekende hij op stukjes karton en op de achterkant van reclamebiljetten de dingen die hij dagelijks om zich heen zag: mensen die zich voorthaasten naar de trein, vechtende straathonden, en ook meer decoratieve patronen van vogels en vazen.

Enkele van deze tekeningen zijn treffend, vooral die van de passanten. De primitieve werkwijze resulteert soms in een sterke, expressieve vorm die associaties oproept met oude Egyptische kunst, de figuren zijn frontaal afgebeeld, met het hoofd en de voeten en profil. Een ronding op heuphoogte maakt duidelijk dat het hier een zijaanzicht betreft. Maar verder ontlenen Traylors tekeningen hun waarde in de eerste plaats aan de bijzondere omstandigheden waaronder ze zijn ontstaan.

In feite geldt dat voor de hele tentoonstelling: het levensverhaal van de exposanten wekt sympathie, en de manier waarop ze zich aan de benarde omstandigheden van hun jeugd proberen te ontworstelen dwingt bewondering af, maar daarom laat het niveau van het geexposeerde nog wel wat te wensen over. Een verklaring is misschien dat, in de woorden van Andrews, 'de beeldende kunst, anders dan de muziek, geen deel is geweest van de zwarte cultuur' - een beeldende traditie ontbreekt hier.

De collages van Bearden en de schilderijen op papier van Robert Colescott zijn anekdotische voorstellingen van het dagelijks leven van negers in de stad. Bij Bearden is de invloed van George Grosz, die zijn leermeester was aan de Arts students League in New York, duidelijk herkenbaar. Colescott schildert in felle kleuren en in een spontane cartoon-achtige stijl hoeren en hoerenlopers in wisselende combinaties van blank en zwart. Hammons exposeert onder meer objecten gemaakt van gevonden materialen als autobanden en ijzerdraad, die, versierd met goudopdruk en goudkleurige kerstballen, een folkloristisch karakter hebben. Voor al deze kunstenaars geldt dat hun werk weinig beeldende zeggingskracht heeft.

Er is een kunstenaar die ook figuratief werkt en die zich ook met het thema van de rassenongelijkheid bezighoudt, maar wiens werk aan het anekdotische ontstijgt, en dat is Benny Andrews. Hij maakt met jute, bedrukte katoen, waterverf en andere middelen portretten die het midden houden tussen collages en schilderijen. Prachtig is bijvoorbeeld het portret van een meisje met vlechten, getiteld Down these mean roads. Ze draagt een bloesje van bloemetjesstof over een jurkje van rood plakplastic. De blinkend witte lucht suggereert een verzengende hitte, het meisje werpt een zwarte slagschaduw in de berm, klaprozen en een bloeiende boom groeien langs de kant van de stille weg. De armen en benen van het meisje zijn van jute en haar hoofd is naar verhouding te groot. Ze glimlacht en stapt welgemoed voort. Met alle quasi-naiviteit van de beeldvorming is dit portret een grote monumentaliteit. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het portret van de aandoenlijke Lovina, met haar merkwaardige mengeling van gelaten hulpeloosheid en taaiheid.