Amerikaanse onderhandelaar beschuldigt Manila van 'kassa-diplomatie'; Pokerspel VS en Filippijnen om bases

ROTTERDAM, 16 mei - Raul Manglapus is een slimme man. De Filippijnse minister van buitenlandse zaken die namens de regering Aquino de onderhandelingen met de Verenigde Staten over de toekomst van de Amerikaanse bases voert, speelt een handig spelletje blufpoker met zijn gesprekspartners. Maandag bedankte Manglapus het Amerikaanse leger uitvoerig voor de logistieke steun bij het neerslaan van de couppoging tegen president Aquino in december 1989, zonder zich duidelijk uit te laten over een nieuw verdrag. Er stond nog wel een rekening open, zei de minister, Manila had een bedrag van 222 miljoen dollar aan pacht tegoed. De Amerikaanse regering zei de bases in de Filippijnen te willen handhaven tenzij 'we ongewenst zijn'. Vandaag was de beurt aan de Amerikanen. Onderhandelaar Richard Armitage wees de Filippijnse eis van achterstallige betaling van de hand en verweet Manglapus 'kassa-diplomatie'.

Washington zou aan al zijn verplichtingen hebben voldaan, meende Armitage en zei dat de Filippino's niet genoeg hadden gedaan om de veiligheid van de Amerikaanse militairen te waarborgen. Manglapus en Armitage werden het daarna heel even eens, ze woonden gezamenlijk een herdenkingsdienst bij van de twee GI's die zondag door het communistisch verzet werden vermoord.

Over het jaar waarin het leaseverdrag voor de zes bases afloopt bestond in eerdere besprekingen verschil van mening, Manila zei in 1991, Washington heeft steeds 1992 aangehouden. Manglapus maakte gisteren op verrassende wijze aan de onzekerheid een einde door het verdrag uit 1947 officieel op te zeggen per 16 september 1991. De ideologische verklaring liet hij daarna handig aan een regeringswoordvoerder over die in niet mis te verstane woorden het einde van het 'Amerikaanse kolonialisme' en een 'nieuwe en werkelijk onafhankelijke koers' proclameerde. Een nieuw verdrag was bespreekbaar, zo maakte de Filippijnse regering duidelijk, maar daaraan hangt wel een prijskaartje.

De Verenigde Staten beschikken in de Filippijnse archipel over zes bases: twee grote en vier kleinere. Clark Air Base, een luchtmachtbasis nabij de stad Angeles en Subic Bay Naval Station, een marinebasis, behoren met ruim 40.000 militairen en familieleden tot de grootste Amerikaanse overzeese bases. Voor het Amerikaanse leger zijn de Filippijnen als uitvalsbasis voor operaties in de Stille Oceaan en de Zuidchinese Zee van groot strategisch belang. Het Witte Huis is door de ontspanning met de Sovjet-Unie bereid de troepensterkte in de belangrijkste Aziatische landen waarmee het een bondgenootschap heeft (Japan, Zuid-Korea en de Filippijnen) met 10 tot 12 procent te verminderen. Vermindering van de troepen zou bovendien een welkome bezuiniging opleveren.

De Filippijnse regering ziet dat anders. President Aquino en de meeste van haar ministers zullen om binnenlandse redenen instemmen met een troepenvermindering. Het zou critici van links (het communistisch verzet) en rechts (een deel van de senaat en legerkringen) ten dele de mond snoeren, maar Manila zal niet akkoord gaan met een navenante reductie van de vergoeding voor het gebruik van Filippijnse grond, integendeel.

In eerdere onderhandelingen wist Manglapus vorig jaar een forse verhoging van het lease-bedrag tot 1991 in de wacht te slepen; in plaats van 360 miljoen dollar, beloofde Washington 962 miljoen dollar te betalen en op die voet willen de Filipijnen doorgaan met onderhandelen. De vraag is hoe hard Washington het wil spelen. Onderzoekscommissies hebben al eerder de mogelijkheden voor verplaatsing van de bases onderzocht. Singapore zou een mogelijke lokatie zijn. De Amerikanen beseffen echter terdege dat elke andere lokatie uit militair oogpunt minder gunstig is en dat een verhuizing bovendien uiterst kostbaar zou zijn

De Verenigde Staten en de Filippijnen lijken tot elkaar veroordeeld. Na de overheid vormen de bases de grootste werkgever voor de Filippino's, 70.000 mensen zijn er rechtstreeks van afhankelijk. Per jaar kopen de Amerikaanse militairen voor een half miljard dollar aan het goederen en het wegvallen van die inkomsten zou een grote klap voor de economie betekenen.