Op zoek naar nieuwe taak Comecon

BRUSSEL, 15 mei - 'Er is geen alternatief voor de markteconomie.' Met die verzuchting karakteriseerde de Bulgaarse vice-minister van buitenlandse handel Georgi Hadzjikov het dilemma waarmee de landen van de Comecon, de Oosteuropese raad voor wederzijdse bijstand, zijn geconfronteerd na de politieke schokgolven die sinds vorige herfst het Sovjet-imperium aan het wankelen hebben gebracht.

De Bulgaarse vice-mininister slaakte de zucht vorige week tijdens een tweedaags colloquium van de universiteit van Gent. Daar waren meer dan tweehonderd wetenschapsmensen, politici en specialisten uit Oost- en West-Europa verzameld om zich te buigen over de problemen waarmee Midden- en Oost-Europa te kampen krijgen nu zij de overgang moeten maken van de 'primitieve structuralistische kooi' (zoals een Roemeense deelnemer het noemde) waarin zij gevangen zaten naar een pluralistische maatschappij met een open-markteconomie.

Die problemen zijn adembenemend. Het gaat er niet alleen om een einde te maken aan de economische en politieke praktijken - staatshandel, prijssubsidies, eenpartijstelsel: maar in de plaats daarvan moet ook een volledig nieuw economisch, politiek en juridisch systeem op poten worden gezet.

De Poolse hoogleraar internationaal recht Eugeniusz Piontek sprak in dat verband van een 'monsterachtig organisatorisch en wettelijk werk': de heruniformering van alle vormen van eigendom moet volledig bevestigd worden door een regeling van het burgerlijk recht; de status van grondeigendom van de staat moet worden aangepast aan de behandeling van grond als overdraagbaar kapitaalgoed; het vennootschapsrecht moet worden aangepast aan de nieuwe maatstaven die gelden in een markteconomie.

Piontek wees erop dat de nieuwe Poolse wetgeving, die al in een vergevorderd stadium verkeert, zoveel mogelijk zal worden geharmoniseerd met de richtlijnen die de Europese Gemeenschap op het gebied van vennootschapsrecht heeft uitgegeven.

Polen is op die wijze niet alleen bezig zich zo snel mogelijk aan te passen aan de vereisten van een markteconomie, maar bereidt zich tegelijkertijd voor op een toekomstig lidmaatschap van de Europese Gemeenschap. De voorwaarden voor integratie in de EG zullen tegen het eind van de jaren negentig zijn gerealiseerd, zo voorspelde Piontek. De vervulling van dat doel zal echter veelal afhangen 'van de mate van bereidheid tot samenwerking van onze EG-partners en de Gemeenschappen zelf', relativeerde de Warschause hoogleraar voorzichtigheidshalve.

De Poolse ambassadeur bij de Europese Gemeenschap, Jan Kulakowski, waarschuwde in dit verband veel scherper dat Polen geen zin heeft 'om in de wachtkamer te zitten totdat alle andere problemen van Europa zijn opgelost'.

Polen, zo zei hij, wil zich opnieuw aansluiten bij Europa en deelnemen aan de integratie ervan: 'Wij voelen ons niet minder Europeanen dan de Oostduitsers' die een kans hebben gekregen 'die wij niet hebben'. Tegenover dit dringende kloppen op de Europese deur beperkten vertegenwoordigers van de Europese Gemeenschap zich tot waarschuwingen voor de onmiddellijke problemen die met de Oosteuropese integratie in een internationale markteconomie gepaard gaan. Zo waarschuwde de vroegere Europese Commissaris en huidig liberaal Europarlementarier Willy De Clercq voor de afschrikkende werking die op investeerders uitgaat van het ontbreken van een wettelijke en statistische infrastructuur in veel Oosteuropese landen. Hij riep op tot het doen herleven van de plannen om een Europese kredietverzekeringsmaatschappij op te richten, waarvan een stimulans uit zou kunnen gaan om meer risico's in Oost-Europa te nemen.

John Maslen, hoofd van de afdeling Oost-Europa bij de Europese Commissie, voorspelde dat landbouw een uiterst teer punt zal worden in de betrekkingen met Oost-Europa. 'De traditionele agrarische export van landen als Polen en Roemenie is enorm geschaad. Het is eigenlijk een krankzinnige situatie dat de EG naar die landen voedsel moet sturen, want ze hebben een enorm landbouwpotentieel. Op korte termijn zal dus moeten worden gezorgd dat ze zichzelf kunnen voeden. Maar daarna zal moeten worden gekeken naar de consequenties van hun agrarische export, en die zal zeker van invloed zijn op de export van de Europese Gemeenschap.' Ook Sergej Oegarov, adviseur van het secretariaat van de Comecon, was zich bewust van de remmende invloed die uitgaat van het 'onstabiele karakter van de wetgeving op het gebied van belasting en repatriatie van winst' op het Westerse animo om te investeren.

Niettemin, zo zei Oegarov, is er al veel verbeterd, met name in Hongarije, waar in 1989 meer dan 300 joint ventures werden gerealiseerd. Met hoeveel verve de Comecon de economische 'wetten' van het marxisme overboord heeft gegooid bleek wel uit Oegarovs uitspraak dat men in gedachten dient te houden 'dat het verlangen om de meest gunstige omstandigheden te scheppen voor het zakendoen een natuurlijke norm vertegenwoordigt'. Een dergelijke realiteitszin legde ook de secretaris van de Comecon, Vjatsjesla Sytsjov, aan de dag. Tijdens de laatste bijeenkomst van de Comecon-landen, in januari in Sofia, was men het er unaniem over eens dat de Comecon in zijn huidige vorm 'de grens van zijn kunnen' had bereikt. Maar dat betekende nog niet dat de organisatie zou moeten worden opgeheven. 'De vraag is', zo zei Sytsjov, 'of de Comecon wordt hervormd met de daaruit voortvloeiende vestiging van een werkelijk effectief mechanisme voor samenwerking, of dat de organisatie haar rol volkomen zal verliezen.' Het waarschijnlijkst lijkt Sytsjov dat de Comecon zich in zijn nieuwe rol richt op 'analytisch werk: economische analyse en voorspelling van ontwikkelingen'.

Ook Delors, zo bleek in Gent, ziet nog een rol voor de Comecon. Hij zinspeelde erop dat de Comecon-landen zelf, 'zich bewust van de convergentie van hun inspanningen en belangen', hun eigen samenwerking beter kunnen organiseren. Hij noemde in dat verband met name suggesties die Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije hebben gedaan, juist de landen die zich het meest staan te verdringen op de Europese stoep. 'Ik ben zelf altijd van mening geweest', zo zei Delors, 'dat een minimum aan gemeenschappelijke commerciele en monetaire structuren in de landen van Midden- en Oost-Europa... de invoeging van die landen in de wereldeconomie alleen maar zou kunnen vergemakkelijken door de noodzakelijke overgangsmaatregelen te besturen.'

Richard Lewis van de afdeling EPS (Europese Politieke Samenwerking) bij de Europese Commissie meende ook dat de bestaande economische samenwerking tussen Oosteuropese landen niet volkomen mag worden genegeerd. Alleen al de overgang van de handel naar harde valuta, die voor volgend jaar op het programma staat, zal een radicale hervorming met zich meebrengen. Van een dergelijke overgang zou de Sovjet-Unie in 1989 een winst hebben geboekt van 16 miljard dollar, terwijl de DDR er 3 miljard, Polen 2,6 miljard en Hongarije 1,9 miljard dollar er bij zouden zijn ingeschoten. Alleen dat pleit er al voor dat de afbraak van de Comecon een proces zal moeten zijn van geleidelijkheid en van behoedzame samenwerking, niet alleen tussen de Comecon-landen zelf maar ook met de Europese Gemeenschap en andere internationale organisaties zoals de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling.