Oost-Europa krijgt aandacht IMF-studie

ROTTERDAM, 16 mei - De ineenstorting van het Oosteuropese communisme heeft onverwachte gevolgen voor een bolwerk van kapitalistische orthodoxie, het Internationale Monetaire Fonds. Nu het economische hervormingsproces in Oost-Europa op gang komt, heeft ook het IMF zijn blik naar het Oosten verlegd.

In de halfjaarlijkse World Economic Outlook die het IMF vorige week heeft gepubliceerd, is voor het eerst een apart hoofdstuk gewijd aan Oost-Europa en de Sovjet-Unie. De staf van het IMF beschrijft hierin de opgave waarvoor de Oosteuropese landen staan bij het overgangsproces van een planeconomie naar een markteconomie.

Op korte termijn verwacht het IMF negatieve gevolgen voor de economieen van Oost-Europa. Als gevolg van de politieke omwentelingen en de economische hervormingen zal de economie in het voormalige Oostblok dit jaar met 1,5 tot 2 procent inkrimpen.

De Oosteuropese landen zijn het meest gediend met een schoktherapie, een snel en veelomvattend hervormingsprogramma, meent het IMF. Dit komt de geloofwaardigheid van de hervormingen ten goede en minimaliseert de negatieve effecten.

Bij geleidelijke en gedeeltelijke hervormingen bestaat het gevaar dat het proces strandt in conservatieve oppositie of dat de bereidheid van de bevolking om de sociale kosten te dragen, afneemt. 'Er bestaat geen overtuigend argument dat de overgangskosten van hervormingen minder zijn als het proces langer duurt', schrijft het IMF. In ieder geval zal sprake zijn van een 'pijnlijk proces', waarbij inflatie en werkloosheid zullen toenemen. Hoe lang deze overgangsperiode duurt, is afhankelijk van het gevoerde beleid.

Niet verrassend legt het IMF grote nadruk op snelle stabilisatie van het macro-eocnomische beleid. De omvorming van een dictaat-economie in een markt-economie komt voor het Fonds neer op de vervanging van een systeem van micro-economisch management door macro-ecoomisch beheer.

Overheden in Oost-Europa moeten zich niet langer bezig houden met plandoelstellingen en de kleinste details van de produktie bepalen. Net zoals in het Westen moet de nieuwe rol van de Oosteuropese overheid bestaan uit het scheppen van voorwaarden voor een niet-inflatoire economie: een evenwichtig begrotingsbeleid en een beperkte geldgroei. Daarvoor moet Oost-Europa prijzen liberaliseren, subsidies afschaffen en het belastingstelsel hervormen.

In de na-oorlogse periode gingen de economische ontwikkelingen in Oost-Europa en de Sovjet-Unie aanvankelijk min of meer gelijk op met die in de Westerse industrielanden. De groei in het Oostblok was gebaseerd op een massale toestroom van arbeid, grondstoffen en staatsgeld naar de zware industrie.

Vanaf de jaren zeventig begon het Oostblok achterop te raken en het IMF brengt deze stagnatie in verband met de lage bevolkingsgroei, waardoor de toestroom van nieuwe arbeid beperkt werd. Bovendien liep de extensieve groei vast omdat Oost-Europa en de Sovjet-Unie geen raad wisten met de acceleratie in het Westen gebaseerd op informatica en nieuwe technologieen in de jaren tachtig. Centrale planning is niet in staat om moderne economieen in het informatica-tijdperk te sturen, concludeert het IMF. De World Economic Outlook besteedt aparte aandacht aan de gevolgen van de Duitse monetaire eenwording. Op termijn zal de aanvankelijke schok van stijgende rente en inflatie wegebben. Hogere groei en grotere produktie in een verenigd Duitsland zullen leiden tot een daling van de inflatie en rente. 'De resultaten van de eenwording op de wereldeconomie zijn zonder meer positief', meent het IMF.