Johan Cruijff is geen toptrainer hij is trainer van eentopploeg

Halverwege het gesprek maakt een zekere boosheid zich van hem meester. ' Zo leiden we onze tandartsen toch ook niet op? Waarom moet een trainer van topsporters zich via trial-and-error wetenschappelijke kennis eigen maken? Sport is een wezenlijk onderdeel van onze cultuur. Bovendien is er veel geld mee gemoeid. Of een coach de kloof tussen research en praktijk overbrugt, kun je niet aan het toeval overlaten.' Drs. O. Loopstra, sector-directeur onderwijs van de Haagse Hogeschool, heeft twaalf jaar ergernis bijna achter de rug. Twee maanden geleden diende hij voor de tweede keer bij het ministerie van onderwijs een aanvraag in voor een studie Sportkunde, naar voorbeeld van de Sporthochschule in Keulen. Het antwoord verwacht hij in september. Maar het stadium van lijdzaam wachten op toestemming is gepasseerd. De Haagse Hogeschool begint in 1991 met de opleiding. Zonder ministeriele goedkeuring wordt Sportkunde een vrije studierichting van de Haagse Academie voor Lichamelijke Opvoeding, onderdeel van de hogeschool.

Volgens Loonstra is de kennis over traningsleer, sportpsychologie, inspanningsfysiologie, voedingsleer en anatomie de afgelopen tien jaar explosief gegroeid, maar bereiken gegevens hierover de praktijk met forse vertraging, fragmentarisch of in het geheel niet. ' De onderzoeken op de universiteit zijn te weinig toegesneden op de praktijk. Sporttrainers zijn via het CIOS opgeleid, dus op MBO-niveau. Dat heeft geen onderzoeksfunctie. Blijft over het HBO, dat aan toegepast onderzoek doet. Maar een HBO-opleiding Sportkunde ontbreekt in Nederland.' Het heeft tot gevolg dat trainers en coaches met ambities vandaag de dag hun heil voornamelijk in de Verenigde Staten en de Bondsrepubliek zoeken. Dit leidt tot verschraling van het Nederlandse sportonderwijs. Tegelijk zijn er 4,5 miljoen georganiseerde sporters in Nederland, en neemt het aantal ongeorganiseerde sporters snel toe. ' Niet overal zal behoefte zijn aan sportkundigen, maar bijvoorbeeld atletiek, badminton, turnen, hockey, korfbal, tennis, voetbal, schaatsen, volleybal en zwemmen komen zeker in aanmerking. En dan heb je het over 2,9 miljoen sporters, verdeeld over 16.190 verenigingen. We schatten de totale behoefte op 1.200 sportkundigen.' Loopstra wil het huidige trainerskorps niet als inferieur afdoen. Toch is in zijn optiek de veelal kortstondige loopbaan van trainers bij voetbalclubs in de eredivisie te wijten aan de scheve verhouding tussen kennis en reputatie. Voetbalcoach Leo Beenhakker alsmede ex-bondscoach en thans KNVB-bestuurslid Rinus Michels roemt hij om hun capaciteiten. Volgens Loopstra zijn deze voor een groot deel terug te voeren op hun opleiding tot leraar lichamelijke oefening.' Johan Cruijff daarentegen is een schitterend voorbeeld van iemand die veel reputatie geniet door zijn verleden als actief profvoetballer. Maar daarmee is Cruijff geen toptrainer. Hij is trainer van de topploeg Barcelona. En dat is een wezenlijk verschil. Bovendien heeft hij zijn diploma gekregen in plaats van via examens gehaald. Doordat hij werkt bij een club met geld, kan hij deskundigen aantrekken. Zelf is Cruijff niet in staat wetenschappelijke gegevens op hun relevantie te waarderen, te selecteren en vervolgens in praktijk te brengen. Veel voetbaltrainers vallen op een gegeven moment toch door de mand.' Een goede trainer onderscheidt zich door gedegen vakkennis en het vermogen deze te onderhouden. Loopstra analyseert als voorbeeld de schaatstrainer. ' Die moet veel weten van de bewegingsmechanica, een video-opname daarop kunnen beoordelen. Voorts heeft hij een verfijnde kennis nodig van de inspanningsfysiologie. Alleen dan kan hij een verantwoorde training opbouwen en aanpassen aan de individuele sporter. Een stencil kopen met daarop wat algemene gegevens, kunnen we allemaal. Een trainer moet meetgegevens kunnen beoordelen en daaruit conclusies trekken. Maar ook oplossen van motivatieproblemen behoort tot het beroep. En niet te vergeten de vakliteratuur; veel trainers missen eenvoudigweg het niveau zich daarin te kunnen verdiepen.' Het geesteskind van Loopstra voorziet in een opleiding van vier jaar.'

Om geen werklozen op te leiden' wenst hij volgend najaar in Den Haag met maximaal dertig tot veertig studenten te beginnen. Als toelatingseis geldt HAVO/VWO, terwijl ook het sportieve niveau van de student wordt gewogen. Het eerste jaar is identiek aan de studie lichamelijke opvoeding, pas daarna slaat Sportkunde een eigen weg in. Naast theorie voorziet de opleiding in stages tijdens het derde en vierde jaar; dit is de periode waarin de student zich specialiseert in een type (bijvoorbeeld duursporten, verdedigingssporten) of een of twee sporten. Er komen onder meer modulen sportpsychologie, sportsociologie, biomechanica, biochemie, EHBO en gezondheidsleer, informatica, management en eigen vaardigheid (' want de sportkundige moet ook het trainingspak een eredivisie-ploeg kunnen leiden').

Om zo dicht mogelijk bij de praktijk te blijven denkt Loopstra veel gastdocenten bij het onderwijs te betrekken, zoals Beenhakker en Pfrommer. Vorig jaar kreeg hij als antwoord op zijn aanvraag bij het ministerie dat hij Sportkunde maar als specialisatie in moest voeren. Of over de tweede aanvraag anders wordt beschikt, is voor Loopstra nog een open vraag. ' De politiek loopt achter op de maatschappelijke ontwikkelingen. Dat is spijtig voor de sport, maar wel verklaarbaar. Voor CDA-ers is sport lang verbonden geweest met lichamelijkheid, de drager van de zonde. Voor PvdA-ers was presteren in de jaren zestig iets verdachts. Dat kon niet, het moest allemaal recreatief zijn. Maar er is nu een generatie politici die minder is belast met een ideologisch verleden.'