Hoeveel taakbelasting gaat er in gang- en pleinwacht?

Eind 1987 werd Nederland opgeschrikt door de resultaten van een grootscheeps onderzoek naar de taakbelasting van leraren in het voortgezet onderwijs. Jammerklachten die al jaren binnenskamers te horen waren werden hierin wetenschappelijk bevestigd. Maar liefst een kwart van alle docenten bleek 'afgeknapt' te zijn. Het onder leiding van prof. dr. J. M. G. Leune door het sociaal-wetenschappelijk onderzoeksbureau IVA in Tilburg verrichte OTO-onderzoek (van 'Onderzoek Taak en Organisatie') kon echter geen eenduidige verklaring voor dat afknappen geven.

Zo ontbrak een directe relatie tussen factoren als leeftijd en sekse, en overbelasting. Wel toonden de onderzoekers veel overuren aan. Deeltijders bleken de meeste te maken. Ook kwam naar voren dat niet alle leraren even hard werken. Tussen het aantal gewerkte uren en het afknapgevoel werd wel een relatie gevonden, maar deze ging niet altijd op: op sommige scholen werd door iedereen lang gewerkt, en voelde men zich minder belast dan op andere scholen waar minder uren werden gemaakt.

Beleidsmaatregelen die opgebrande leraren weer nieuwe energie kunnen geven (zoals bijvoorbeeld de instelling van een sabbatical year) bleven tot nu toe uit. Maar op de christelijke MAVO 'Vechtstede' in Hardenberg (O), verdeelde het lerarenkorps opnieuw de lasten die naast het eigenlijke lesgeven het leraarsbestaan zo zwaar kunnen maken. Vechtstede is een categorale school met 400 leerlingen. Adriaan van Triest , adjunct-directeur en scheikundeleraar, en Dick Huyser , leraar Frans, Nederlands, informatica en godsdienst, maakten deel uit van de commissie die de taken herverdeelde.

Van Triest: ' Het OTO-onderzoek heeft ons aan het denken gezet. Maar de concrete aanleiding om op school iets te veranderen was een onderzoekje dat we zelf uitvoerden.'

Om in het geval van een eventuele fusie de eigen positie duidelijk omschreven te hebben, onderzocht de school het beeld dat de basisscholen in de omgeving van Vechtstede hadden. ' Dat bleek een redelijk positief beeld te zijn, behalve op een punt: men vond dat er bij ons op school buiten het lesgeven weinig te beleven viel. Disco-avonden, films, dat soort dingen misten ze.'

Geen saaie school

Het was duidelijk dat iets aan die beeldvorming gedaan moest worden, want het etiket 'saai' kan een school zich tegenwoordig niet meer veroorloven. Maar hoe? Huyser: ' Juni 1988 zat een clubje collega's onder de pereboom in de schooltuin over dat probleem te praten. We bedachten toen dat we een methode moesten vinden om mensen taken te laten uitvoeren waar ze zichzelf geschikt voor vinden. Als je iets doet waar je je prettig bij voelt, ben je minder snel overbelast. ' Geheel volgens de regels van de bureaucratie werd na de zomervakantie door de algemene lerarenvergadering een taakverdelingscommissie ingesteld. De commissie had twee uitgangspunten: iedereen moest zoveel mogelijk die taken krijgen waar hij/zij zichzelf het geschiktst toe achtte en de taken moesten evenredig verdeeld worden. De eerste daad van de commissie was een inventarisatie van wat er al gebeurde aan buitenschoolse activiteiten. Dat begrip werd ruim genomen: alles wat naast de lestaak door leraren voor school gedaan werd, van huisbezoeken tot disco-avonden. Er bleek eigenlijk al van alles te zijn, maar veel was ingedut. De disco werd slecht bezocht en de schoolkrant verscheen onregelmatig.

Uit de inventarisatie werd een lijst samengesteld van de taken die uitgevoerd werden. Die moesten vervolgens allemaal gewogen worden. Huyser: ' We besloten iedereen te laten aangeven hoe zwaar een bepaalde taak door hem ervaren werd. Taakbelasting is een subjectief gegeven. Ik vind een disco-avond belastend, een ander vindt dat juist leuk.'

Zware huisbezoeken

Uit de invulling bleken ook overeenkomsten te bestaan tussen wat door de leraren van Vechtstede als belastend ervaren werd. Het begeleiden van hospitanten kreeg van een aantal docenten de waardering 10 (maximale belasting), terwijl anderen 1 of zelfs 0 invulden. Gemiddeld kreeg deze taak 5,6 punten. Gang- en pleinwacht werd door niemand erg zwaar gevonden (gemiddeld 3,2), maar huisbezoeken aan leerlingen door vrijwel iedereen wel (7,4). Om aan een voor iedereen geldende norm te komen, werden voor elke taak alle punten bij elkaar opgeteld en gedeeld door het aantal invullers. Nu had elke taak een norm. De punten van alle taken bij elkaar vormden het totaal aan taken dat verdeeld moest worden.

Hierna werd op grond van het aantal uren van de aanstelling voor elke docent uitgerekend hoeveel punten hij/zij op zich moest nemen. Dat werd de score genoemd. Daarna volgde een gesprek tussen de directie en elke docent apart. Welke taken voerde de docent al uit? Liep dat goed? Wilde de docent daarmee doorgaan? Als dat zo was werd die taak aan hem of haar toegewezen. Docenten die teveel hooi op hun vork hadden kregen nu minder.

De laatste en beslissende stap was de uitreiking van de 'scorelijst toewijzing taken' aan alle leraren. Bovenaan dit formulier stond de naam van de docent en het aantal punten dat zijn of haar score bedroeg. Daaronder stond de lijst met taken, en drie kolommen. In de eerste kolom prijkten de punten die aan elke taak waren gegeven. In de tweede kolom stonden de punten van de taken die aan deze docent waren toegewezen, en strepen voor de taken die anderen hadden gekregen. De laatste kolom was leeg. De instructie was: ' Om aan je punten te komen kun je nog inschrijven op de taken waar onder de kolom 'toegewezen' geen cijfer of streep staat.'

Door iedereen zelf het totaal te laten uitrekenen, bespaarde de commissie docenten met een lage score een publieke afgang.

Toen alles was ingevuld en ingeleverd bleken alle taken vervuld. Het doel was bereikt. Dat was in oktober 1989. Wat is er nu veranderd? Huyser: ' Als ik nu te hard werk weet ik dat het aan mezelf ligt. En het is toch anders. Vroeger bemoeide ik me met alles. Nu weet ik: dat heeft die en die al in z'n pakket, dus daar hoef ik me niet mee te bemoeien.'

Maar niet alleen zijn de taken nu beter verdeeld, de hele school is actiever geworden. Van Triest: ' Onze directeur, de heer Brouwer, zei bij de afsluiting van 1989: 'Het is alsof er een hele nieuwe wind door deze school waait'. En dat is ook zo. Er zijn nieuwe formules voor de disco en de schoolkrant, en die lopen weer. Er zijn weer filmavonden. En er zijn allerlei initiatieven en ideeen.' Moeilijker te benoemen, maar misschien wel het belangrijkste vinden Huyser en Van Triest de verbeterde sfeer. Van Triest: ' Toen we eraan begonnen had ik het idee dat het voornamelijk een organisatorische kwestie was. Maar het psychologische effect is enorm. Er is weer een gevoel van saamhorigheid ontstaan, van 'samen de schouders eronder'.' Wat is het geheim van dit succes? De Hardenbergers geloven niet dat de christelijke signatuur van hun school er iets mee te maken heeft. Evenmin geloven ze dat zoiets alleen op een kleine school kan. Wel dat een operatie als deze op een kleine school harder nodig is. Van Triest: ' Uit het OTO-onderzoek bleek dat kleine categorale scholen vaak een sterk segmentale structuur hebben, dat wil zeggen: de leraren zijn koningen in hun eigen klas en er is weinig overleg. Dat soort scholen werd in het onderzoek kwetsbaar genoemd; ze zijn slecht toegerust om op veranderingen te reageren. Deze scholen kunnen de taakverzwaring die bijvoorbeeld door een fusie ontstaat niet goed aan. Grote, sterk gestructureerde scholen hebben dat reguleringsvermogen vaak wel. In termen van management hebben wij eigenlijk niets anders gedaan dan het versterken van de overlegstructuur.'