Elke dag een gedicht op de etalageruit

Waarom zouden twee grijze vuilniszakken die aan de straat staan niet kunnen ontroeren? Victor Vroomkoning schreef er een gedicht over. Ze deden hem denken aan twee weerloze oudjes - 'Je zou ze/ weer naar binnen willen/ halen, je ouders/ wachtend op de bus'. Als het niet zo lelijk klonk zouden we bij dit nummer van De Tweede Ronde kunnen spreken van 'verhuispoezie' of van 'woongedichten'. Ze gaan bijna allemaal over huizen die verlaten worden, of over het leven achter de gordijnen, onder vertrouwden. Jan Kostwinder schreef twee gedichten over liefde en de plek waar ze gedijt: 'Je zegt dat vissen, lang levend/ zonder licht, wit worden/ en blind - en leven wij twee/ niet donker als de diepzee?'

Bart Plouvier debuteert in dit nummer met een verhaal dat opgesmukt werd met gekunstelde zinnen (een liefde die 'als een snel groeiend koekoeksjong mijn creativiteit als een hinderlijke rivaal uit het nest van mijn literaire ambities begon te werken'), maar dat wel een verrassend slot heeft, zwaar van eenzaamheid - 'Ik dacht aan Eduard en aan zijn geamputeerde geslacht dat hulpeloos rondzweefde in een pot formol op de schouw van een cafe waar niemand kwam.' Het lentenummer van dit vertalerstijdschrift is een Turks nummer, en dat werd tijd ook na al drie Nieuwgriekse. Gastredactrice Margreet Dorleyn vertaalde een groot aantal teksten, de poezie werd door een groep Leidse Turkologen aangepakt. De gedichten zijn keurig in beide talen afgedrukt, en zelfs bij een moeilijke, verafstaande taal als het Turks is dat prettig. 'Mijn kat, die ineengerold aan mijn voeteneind ligt te slapen/ rolt draad voor draad de stilte op een kluwen/ rrrr... /rrrr... '

komt van 'Kedim, ayakucuma buzulmus uyumakta/ Iplik iplik sariyor sukutu bir yumakta/ Hiril hiril... / Hiril hiril... '.

(De i staat voor de Turkse i zonder punt die als de e in de wordt uitgesproken). Welke taalminnaar vindt het niet mooi om te zien dat 'Ik kan het niet uitleggen' de vertaling is van 'Anlatamiyorum'? De Turkse literatuur is hier niets bekender dan de Nieuwgriekse. Van zeer produktieve auteurs als Sait Faik (13 delen verzamelde verhalen), Muzaffu Izgu (schrijver van onder meer twintig verhalenbundels) en Aziz Nesin (zestig verhalenbundels) hebben we nooit gehoord. De linkse protestdichter Ahmet Arif zag tientallen drukken van zijn werk verschijnen - niet echt uitzonderlijk trouwens voor een land dat intern steeds half in oorlog was. Wel heel bekend werd Nazim Hikmet (1902-1963), de Bolsjewistische dichter die zelden in zijn vaderland verbleef en omging met andere groten als Aragon, Neruda, en Tristan Tzara. Hij is meer dan ruim vertegenwoordigd in dit nummer, met veel gedichten over gevangenissen en met een prachtig vers over de Spaanse Burgeroorlog. De redaktie spreekt in haar voorwoordje van de 'bloeiende, agnostische, sterk op West-Europa gerichte Turkse literatuur'.

Met die goedbedoelde uitspraak wordt geen recht gedaan aan de onmiskenbare Oosterse invloeden. Sprookjes en parabels zijn geliefde prozavormen. Ook opvallend is verder de sterke stroming van 'plattelandsliteratuur' die voor ons interessanter is dan het lijkt. Tot voor kort waren verre, grote delen van Turkije immers nog middeleeuws. Van Bekir Yildiz werd zo'n verhaal over het Turkse achterland opgenomen.

Een man moet wraak nemen op de verkrachter van zijn vrouw, haar eer kan gered door haar te vermoorden - het is het meest dramatische verhaal van allemaal en doet denken aan die indrukwekkende film Yol.

Eigenaardig dat er in dit nummer nergens een vrouw te bekennen is (geen Meric, geen Erbil of Agaoglu bijvoorbeeld) en dat de gekozen dichters dood (de helft) of bejaard zijn. Jammer is ook dat de vaste rubriek 'Essay' ontbreekt. Bij zo'n onbekende literatuur als de Turkse was een inleiding heel nuttig geweest. Turkse geemigreerde schrijvers (Oren, Gursel, Ozakin en Halil Gur) komen niet aan de orde, en gastarbeiders uitsluitend in de tekst van het traditionele satirische schimmenspel Karagoz, dat alleen nog buiten Turkije leeft. Aparte vermelding verdient nog Fazil Husnu Daglarca (1914), de boekhandelaar-dichter die elke dag een nieuw, handgeschreven gedicht in zijn etalage ophangt.

De Tweede Ronde, Lente 1990. Uitg. Bert Bakker; 177 blz.,fl.12,50.

Twist over Homerische Frage

In 1992 worden gymnasiasten geexamineerd over Homerus. Bzzlletin stelde alvast een themanummer over hem samen, steunend op lezingen die een jaar geleden aan de VU in Amsterdam werden gehouden. Dat waren openbare Oudheidkundige Voordrachten, over de wereld en de invloed van Homerus.

M.d'Hane-Scheltema boog zich over kwesties die opdoemen bij het vertalen van de 15.640 regels in de Odyssee. Uit de vertaling die zij bewondert, van H. J.de Roy van Zuydewijn, is een fragment opgenomen. S. R. Slings schildert de antieke zangers als geschiedenisleraren en verzoenende bemiddelaars, die zelf gebaat zijn bij rust en vrede: 'De orale zanger is de bewaker van de geschiedenis, het collectieve geheugen van de orale samenleving ligt in hem opgeslagen.'

Ineke Sluiter, in een minder goed leesbaar stuk, laat zien hoe Homerus' werken in de oude Griekse scholen fungeerden als leermiddelen, als autoriteit van het leesplankje tot in filosofische en medische handboeken. De hamvraag, 'Wanneer herkent Penelope Odysseus?' probeert D. M. Schenkeveld te beantwoorden met een uiteenzetting over het ontstaan van het epos, en de twist over de Homerische Frage tussen de zogeheten unitarische en de analytische filologen.

Een zo aantrekkelijk onderwerp als de Nachwuchs van Homerus in de moderne literatuur heeft Bzzlletin helaas helemaal links laten liggen. Alleen Ron Elshout, met een bijdrage over de berencultus bij F. C. Terborgh - Odysseus als beer-ling - roert even deze materie aan. Deze Bzzlletin is alvast geen sinecure voor de eindexaminandi van '92.

Bzzlletin 175. Uitg. Bzztoh; 79 blz. fl.12,50. Voorzichtig het bos uit 'Het is nog maar een nauwelijks gestolde wond in het woud, Nmummumbe, zo'n nieuwe hoofdstad in centraal Afrika, verordonneerd door de president en besteld bij een Frans architectencollectief met een vlotte babbel.' Zo'n prachtige beginzin. Hij is van A. L. Schneiders, die andere diplomaat-schrijver (met ook nog bijna dezelfde naam), van wie het ene na het andere verhaal verschijnt maar nooit eens een boek.

Een ander opmerkelijk verhaal in dit nummer is van F. F. Foelkel, over wie bij de personalia vermeld staat dat hij na te zijn geboren in 1945 'is opgegroeid in de bossen'.

Een schrijvend enfant sauvage? Nee, niet meer, hij studeerde theoretische fysica. Zijn tekst heet 'Bosman - een pamflet'. Foelkel pleit voor de volstrekte eenzaamheid in de natuur, voor het loutere aanwezig zijn, zonder zich op te dringen of zich aan te passen. 'Ik ben dus geen democraat, daar in dat bos. (...) Ik geloof niet in het grote lichaam van de mensheid. Daarvoor wordt dezelfde vraag te vaak herhaald. En nooit bevredigend beantwoord. Als ik prijs stel op het antwoord, zal ik er zelf achterheen moeten.'

De mensengemeenschap staat op slechts een punt boven de boswereld: misschien is er een gelijkgestemde ziel te vinden.

Elders in Hollands Maandblad relativeert kunsthistoricus P. Zimmerman het belang van individualisme in de beeldende kunst. Het zit vol valkuilen, waarschuwt hij, 'kunst komt van kunst' maar het leren door het kopieren van grote voorbeelden is in onbruik geraakt, en 'tegenwoordig mogen we er ons van afmaken door onze erflaters zogenaamd te citeren. Onze originaliteitshonger is niet altijd bij machte zijn flauwten te verbergen'.

Zimmerman klinkt nu en dan bepaald grimmig. Verder in dit nummer: Elisabeth Bosch over visies van drie Franse schrijvers op Van Gogh (Bataille, Artaud en Char); K. L. Poll roept lezers op zijn lijst 'Verboden Woorden' aan te vullen en publiceert tien nieuwe gedichten met opvallend veel natuur erin. Zwakke stee is de bijdrage van Beatrijs Ritsema, een 'Brief uit Washington' waarin ze zich een nogal tuttige zeur betoont over Amerikaanse supermarkten, eet- en rookgewoonten, zoutbusjes en dozen aspirientjes. 'Beter een klein bakje normale chips dan een hele zak light' (groot)moedert Beatrijs.

Hollands Maandblad, 1990-4. Uitg.

Veen; 34 blz. fl.9,25.