De Ries-krater: getuige tegen de catastrofentheorie

In de jaren tachtig werd de theorie populair dat inslagen van reuzenmeteorieten uit de ruimte de ontwikkeling van het leven op aarde ingrijpend hebben beinvloed. Zulke inslagen zouden tot klimaatveranderingen en/of andere rampen hebben geleid, waardoor vele levensvormen tegelijkertijd uitstierven. Het meest besproken is het ten gronde gaan van een groot deel van de biologische wereld (waaronder de dinosauriers) tijdens de overgang van het Krijt naar het Tertiair, zo'n 65 miljoen jaar geleden.

Opmerkelijk is echter dat een veel recentere meteorietinslag, waarvan de gevolgen onlangs goed bekend zijn geworden, geen enkele blijvende verandering in de biosfeer blijkt te hebben veroorzaakt.

Dat de aarde in de loop van zijn geschiedenis door talloze objecten uit de ruimte is getroffen staat buiten kijf. Getuigen daarvan zijn de min of meer cirkelvormige inzinkingen, meteorietkraters genaamd, die vooral na de komst van de luchtfotografie overal op aarde zijn ontdekt. De grootste kraters hebben een diameter van vele tientallen kilometers (in enkele gevallen zelfs meer dan honderd) en moeten zijn ontstaan door meteorieten of planetoiden die vele honderden meters groot waren. Zowel de oudere als de kleinere kraters zijn als gevolg van erosie vaak niet meer als zodanig te herkennen.

15 miljoen jaar geleden

In het zuiden van Duitsland, ongeveer 80 km ten oosten van Stuttgart, bevindt zich bij het plaatsje Nordlingen de Ries-krater. Het is een cirkelvormige inzinking van 24 km diameter met een grotendeels vlakke bodem, omringd door een wal die op sommige plaatsen een hoogte van 200 meter bereikt. Deze meteorietkrater, de op een (in Zweden) na grootste in Europa, ontstond 15 miljoen jaar geleden door de inslag van een meteoriet van ruwweg een kilometer diameter. De hoeveelheid energie die hierbij vrijkwam moet veel groter zijn geweest dan die van het totale kernwapenarsenaal op aarde.

Na zijn ontdekking in 1904 is de Ries-krater eigenlijk constant object van onderzoek geweest. Een groep onderzoekers van de universiteit van Munchen, onder leiding van Kurt Heissig, heeft nu de nieuwe resultaten bekendgemaakt van een onderzoek dat daar sinds 1984 is verricht. Door onderzoek aan afzettingen en gesteenten in de bodem tot op vele tientallen kilometers afstand van de krater heeft men een goede indruk kunnen krijgen van wat de inslag aan het aardoppervlak moet hebben teweeggebracht. En door deze resultaten te vergelijken met nieuwe, uit die tijd daterende fossielen, kon men nagaan wat de invloed van de inslag op de levende natuur is geweest (Deutscher Forschungsdienst VI, n. 3/90).

Verwaarloosbaar klein

Uit het bodemonderzoek blijkt dat de inslag een enorme aardbeving heeft veroorzaakt, die steile hellingen deed ineenstorten. De bossen in het gebied werden in een soort 'vuurstorm' verschroeid. De zich door de lucht voortplantende schokgolf had niet alleen tot gevolg dat de bomen uiteen werden gereten, maar ook dat houtfragmenten door de hoge druk werden samengeperst en uitwendig verkoold. Overal waar zulke houtfragmenten in kommen water terechtkwamen, hebben zij de tand des tijds weten te doorstaan.

Volgens de onderzoekers moeten de biologische effecten van deze ramp echter op lange termijn verwaarloosbaar klein zijn geweest. Het bos herstelde zich volledig en er verschenen weer dezelfde soorten bomen als voorheen. In de rivieren nestelde zich later weer de rivierpareloester. Niet een van de meer dan dertig soorten zoogdieren in het betreffende gebied stierf uit. Zelfs verscheidene oude diersoorten, zoals de laatste Europese opossum en het minihert Cainotherium, stierven pas een miljoen jaar na de inslag uit. En ook de reuzenschildpad zou, hoewel hij hier voor de inslag al zeldzaam was, pas later uit het gebied verdwijnen.

De onderzoekers hebben vastgesteld dat 'de straal van volledige verwoesting beslist kleiner was dan de straal van het verspreidingsgebied van welke soort dan ook'. Dit blijkt mede uit het feit dat de meteorietinslag de lokaal inheemse hamstersoort Eumyarion bifidus en een lokale soort van het oerpaard Anchitherium (dat nog geen hoeven had) hun oude woongebied weer gingen bevolken, in plaats van vervangen te worden door verwante of beter aan de nieuwe omstandigheden aangepaste soorten.

Alles wijst erop dat het leven een tijdje na de inslag weer zijn gewone gang ging, alsof er niets was gebeurd. Niets wijst er ook op dat er een klimaatsverandering zou zijn opgetreden. Nu behoort de Ries-krater tot de grote inslagkraters op aarde, hetgeen betekent dat de inslag zelf tot de hevige in de geschiedenis van de aarde moet hebben behoord.

Dit roept de vraag op of inslagen van objecten uit de ruimte inderdaad wel zulke catastrofale gevolgen voor het leven op aarde hebben gehad zoals velen nu aannemen.