DE POLEN VOELEN ZICH NIET VEILIG

Polen in mei is geruststellend. De zon schijnt, het is warm. De gure kou bij de gaarkeukens is weg, lange rijen voor de winkels zijn verdwenen, de hyperinflatie is, althans voorlopig, bedwongen en geen Pool loopt je nog brutaal-vernederd achterna met 'change money, Wechsel'. Maar de ruwe recessie waarin de Harvard-groep van minister van financien Leszek Balcerowicz het land noodgedwongen heeft geduwd, valt na vier maanden zwaarder uit dan destijds al was gevreesd. De koopkracht is met 30 tot 35 procent per huishouden gedaald en een begin van een aantrekkende economie is nog niet in zicht.

Het heldhaftige lijden is achter de rug, maar het werk moet nog beginnen en geen mens weet waartoe privatisering, ontmanteling en opheffing van bedrijven zal leiden. De politieke essayist Stefan Kisielewski hoopt dat zijn volk het 'wilde kapitalisme' dat voorlopig onvermijdelijk lijkt, kan verdragen, de minister van sociale zaken Kuron hoopt zich met strenge regels de aanstormende horde werklozen van het lijf te houden. En iedereen wenst Polen nog een tweede zachte winter toe.

De Polen zijn hun veiligheid kwijt. Het regent ingenieuze plannen, wilde petities en indrukwekkende paradoxen, maar het officiele vijfde rad aan de wagen van het 2 + 4-overleg weet eigenlijk geen raad. Bij het beraad tussen de Geallieerden en de beide Duitslanden begin juli in Parijs zal Polen erbij zijn. Het gaat dan over verdragsgaranties voor de Oder-Neisse-grens en de Poolse minister van buitenlandse zaken Krystof Skubiszweski heeft het draaiboek keurig op orde: beide Duitse regeringen tekenen een verdrag en het parlement van een verenigd Duitsland ratificeert het vervolgens. Maar buiten het tractaatrechtelijke scenario om blijft de politieke vraag onbeantwoord: welk bondgenootschap staat voor de naleving borg, met andere woorden: waar haalt Polen anno 1990 zijn veiligheid? Het zijn vooral integere intellectuelen die zich in Polen deze maanden met de Poolse veiligheid bezighouden, amateurs meestal ook. De invloedrijke buitenland-expert van Solidariteit in het parlement, Bronislav Geremek, kwam bijvoorbeeld met het idee van een Donau-Adriatische Bond tussen Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije als een pro-Amerikaans blok tegen een verenigd Duitsland. Aan elk diplomatiek handwerk ontbrak het echter en zo kon het geschieden dat een top in Bratislava tot hulpeloos, publiekelijk gestuntel degradeerde. Dichterpresident Vaclav Havel liet ten slotte minder subtiel weten hoe het met de relatie tussen de van oudsher wezensvreemde Polen en Tsjechen is gesteld: 'De Poolse broeders horen niet tot de historische Donau-Adriatische Unie.

'

Exit plan-Geremek. De Poolse minister van buitenlandse zaken, Skubiszewski, werkte een plan uit om een soort veiligheidsraad aan het CVSE-overleg toe te voegen. Skubiszewsi is een sympathieke, bedaagde 18-karaatsjurist, die gelooft in de idealen van het volkenrecht. Op de vraag waarom uitgerekend de Polen zich opwerpen als voorvechters van een nieuw soort Volkenbond antwoordt de al even enthousiaste onderminister, Jerzy Makarcyk: 'Het succes van de Slotacte van Helsinki had ook niemand voorspeld, er blijkt vooruitgang in de wereld mogelijk, Polen is het levende bewijs ervan, nietwaar.' Tussen de bedrijven door ballen parlementscommissies hun vuisten tegen de 48.000 man sterke Sovjet-troepenmacht in het land, zegt de regering de facto het lidmaatschap van het Warschau-pact op ('Geen Poolse troepen buiten Pools grondgebied') en laten bewindslieden ook meteen weten dat de Sovjet-troepen voorlopig toch ook maar beter in het land kunnen blijven. Op zoek naar veiligheid lijken de professionals en de amateurs, de burgers en de militairen in Warschau het spoor bijster en curieus genoeg wendt ook bijna niemand nog iets anders voor. In het ene departement wordt gelachen om de plannen van het andere, laat men de liefde voor redeneringen die beginnen in de 16e eeuw (het Poolse rijk omspande Europa van Finland tot diep in de Balkan) de vrije loop en jongleert met 'paradoxen'. Kristallisatiepunt van onzekerheid is de Duitse eenheid. Zestig procent van de Polen vindt daarom dat de Sovjet-troepen nog maar enige tijd in Polen moeten blijven, ook al wenst men regelmatig 'boe' te roepen. Meer dan tachtig procent ziet de Duitse eenheid als een bedreiging voor Polen en veel verschil tussen jong en oud is er hierbij niet.

Anti-Duitse gevoelens zijn al oud. Het communistische bewind liet ze de vrije loop, ontleende er legitimatie aan. De communisten waren de bevrijders van Polen geweest, zo had het dogma geluid. Maar nu spelen interne onzekerheden in deze anti-Duitse gevoelens ook een rol.

Polen is overrompeld door de economische vrijheid, de Polen kunnen de eigen regering nu nergens de schuld van geven en escapistische gevoelens van afkeer jegens de machtige, rijke westerbuur dienen zich gemakkelijk aan. Poolse politici van hoog tot laag hebben zulke sentimenten de ruimte gegeven en nationale gevoelens laaiden de laatste maanden zozeer op dat Poolse intellectuelen vorige week met een Verklaring van Krakow ethisch tegengas hebben gegeven.

Maar toch is er meer aan de hand. Duitsland neemt tot nu toe bijna de helft van alle, nog bescheiden, economische activiteiten vanuit het buitenland in Polen voor zijn rekening. 'Kijk eens waar de Duitsers dat doen - allemaal in het westen', klaagt een bewindsman in Warschau. Het gaat hierbij uiteraard niet om een complot om voormalig Duitse gebieden in Silezie en Pommeren te infiltreren, maar daar ligt nu eenmaal van oudsher het grootste industriele potentieel, is de Duitse taal nog redelijk verbreid en het is voor Duitsers dichtbij.

Hoe groot de Duitse minderheid is weet niemand precies, want hun bestaan werd tot voor kort van overheidswege getaboeiseerd, maar schattingen varieren van 300.000 tot 3 miljoen. Wie Duitser is en wie niet is na duizend jaar etnische kruisbestuiving sowieso een probleem.

Begrijpelijkerwijze heeft bondskanselier Helmut Kohl rechten voor de Duitse minderheden gevraagd en gekregen, maar het gevolg kan straks natuurlijk ook zijn dat in hun schooltjes de Nixdorf-computers als geschenk van Bonn het snelst hun weg vinden en de Duitsers in Polen hun Poolse buren alweer te snel af zijn. In de woorden van een jonge, invloedrijke publicist, Marek Goliszewski: 'De Duitsers bedoelen het goed, maar ik vrees die economische opmars toch wel een beetje, zij kopen bedrijven en grond en gaan de baas spelen.'

Met andere woorden: buitenlandse investeringen zijn goed, dat ze vooral uit het welvarende buurland komen is logisch, maar de potentie ervan schept onbehagen.

Een Duits zakenman in een hotel in Warschau doet zijn beklag: 'Het is unfair. Wij hebben in de Bondsrepubliek een democratisch en economisch systeem dat goed werkt. Daar kunnen ze hier nog van leren maar in plaats daarvan beginnen ze iedere keer over het verleden. Dat is unfair, unfair is het.' Oude ressentimenten worden in sommige kringen aangewakkerd. Een topfunctionaris die nu al een decennium als een eminence grise in Warschau opereert, vertelt het wilde verhaal van de Wolga-Duitsers. Enkele honderdduizenden Wolga-Duitsers die door Stalin naar Siberie en Kazachstan waren verjaagd, mogen weer naar de Wolga-streek terugkeren. Ook hebben ze weer het recht om eigen taal en cultuur te onderhouden.

Aangezien de corridor bij Kaliningrad praktisch leeg is - tot nu toe is deze grensstreek met Polen gereserveerd voor de territoriale verdediging van de Sovjet-Unie en haar Baltische vloot - zouden de Wolga-Duitsers wel eens daarheen kunnen trekken. Een hoge Poolse militair in alle ernst: 'Dan begint alles weer opnieuw. Eerst wordt het Konigsberg, dan verlangt men in alle billijkheid communicatie met de landgenoten in het westen, dan een corridor, et cetera, et cetera.' De materiele waarde van zo'n verhaal is beperkt, maar de gretigheid waarmee het wordt verteld is illustratief voor de broeierige onzekerheid in Warschau.

Wat is Polen op deze manier in het overleg van de 2 + 4 waard? De inborst van de meeste Poolse politici is verdeeld over de vraag of Russen dan wel Duitsers een groter probleem zijn. Een verenigd Duitsland als lid van de NAVO is acceptabeler dan een neutraal Duitsland, Sovjet-troepen op Oostduitse grondgebied ook beter dan een neutraal Duitsland en voor zover de dingen niet te rijmen vallen, wentelen de Polen zich in de paradoxen van hun romantisch realisme. Premier Mazowiecki vorige week bij het bezoek van president Von Weizsacker: 'Polen wil de vijandschap met Russen en Duitsers begraven en de twee vijanden-theorie vervangen door de twee vrienden-theorie.' Wie spreekt over het gevoel van onveiligheid in Polen moet eigenlijk de geopolitieke redeneringen even laten voor wat ze zijn en zich op de subjectieve lading van het begrip concentreren. Polen is onzeker, veiligheid in de letterlijke betekenis van het Poolse woord - 'zonder zorgen' - is er niet en is ook niet in zicht.

De meeste bedrijven hebben het eerste deel van 1990 eenvoudigweg afgewachtof met gesloten ogen geproduceerd totdat de magazijnen nu uitpuilen metonverkoopbare produkten. Zij maken geen plannen, geen begrotingen, doenniet aan marketing en westerse zakenlieden lopen er nog voornamelijkhoofdschuddend rond. Polen heeft acute behoefte aan ontwikkelingshulp anno1990: interim-managers en accountants. Dan is er nog de nationale schuld vaninmiddels 40 miljard dollar. Alleen de rentedienst is 3,5 miljarddollar per jaar en zolang Polen niet van die molensteen wordt verlost, kande schatkist zich zelfs geen meevallers veroorloven. Het politieke klimaat, het publieke humeur, weerspiegelt de onzekerheid van het moment. Aan het onstuimige populisme van Lech Walesa is minder behoefte, nu Polen het niet van verzet maar van hard werken en geduld moet hebben. De rustige, integere premier Mazowiecki, in wiens gelaatstrekken zich dit Poolse tijdsgewricht lijkt te weerspiegelen, is alom geliefd en zelfs de stijve kalmte van president Jaruzelski vindt waardering. Het staatshoofd laat herhaaldelijk weten liever tussentijds te willen vertrekken, maar de Poolse politiek heeft aan extra touwtrekken nu geen zin. Toen Walesa onlangs zelf zijn oog op het baantje liet vallen, werd hij door zijn eigen omgeving in allerijl tot de orde geroepen en dat geschiedde dermate grondig en weinig subtiel dat inmiddels heel Polen het beseft: Walesa is ongeschikt voor het presidentschap.

De hoekige generaal van slot Belvedere vormt in het nieuwe Polen een even curieus als gelukkig anachronisme. In de marge van bevrijdingsdag, waarop hij samen met zijn vroegere politieke vijanden kransen legt, maakt hij er geen geheim van: 'Twee keer in mijn leven stortte mijn wereld in, de eerste keer in 1939, de tweede keer in 1989'.

Hij vocht tegen Duitsers en Russen, beschadigde in Siberische gevangenschap zijn ogen, vocht dan tegen de Duitsers en koos later als Poolse nationalist voor de Sovjet-Unie en voor alles wat ermee samenhing. Bijna tweederde van de bevolking is volgens een recente peiling van mening dat de tragische generaal in 1981 met het uitroepen van de noodtoestand en de arrestatie van Solidariteits-leiders Polen heeft gered. Een Sovjet-inval zou volgens die overtuigng het alternatief zijn geweest, een herhaling van de Spaanse burgeroorlog het gevolg. Hoewel de Poolse werkelijkheid de zijne niet meer is, werkt Jaruzelski mee. Van zijn vetorecht heeft hij tot nu toe geen gebruik gemaakt, hij heeft geen aanstoot gegeven en het gevolg is een groeiend respect. Voor een Europees gehoor in Geneve biechtte hij onlangs politieke en humanitaire wandaden op.

Bizar blijft dit alles wel voor een man die nog geen twee jaar geleden een premier benoemde met de heldere opdracht alle oppositie tegen de communisten te neutraliseren, maar zoals een jonge Poolse Solidariteits-activist het uitlegt: 'Dit is zo'n Poolse paradox'.

In een land dat zo bezig is met goed-en-kwaad, met vragen over bijltjesdag versus verzoening, is Jaruzelski een welkom symbool van geleidelijkheid en scepsis. De dienaars van het oude systeen, zo schreef de politicus en romancier Andrzej Szczypiorski, zullen meewerken aan het nieuwe systeem als zij maar in hun waarde worden gelaten. De bijna veertig miljoen Polen kijken dit voorjaar angstvallig naar de dingen die komen gaan en in die stemming is zelfs Jaruzelski kennelijk een rustpunt. Maar terwijl alle veiligheidsdiscussies zich concentreren op de Oder-Neisse en wat dies meer zij is het in wezen niet veel meer dan een metafoor voor diepe onzekerheid.

Aan die onzekerheid kan het 2 + 4-overleg geen einde maken, hoezeer het Pools zelfbewustzijn ook streelt dat men mee aan tafel zit. Polen zullen dat zelf moeten doen, geholpen door westerse landen. Tot nader orde zijn de Polen hun veiligheid kwijt.