Ankara loopt achter bij ontwikkeling Koerdengebied

ISTANBUL, 15 mei - 'Uw lot is ons lot, wij laten u niet in de steek, u bent kinderen van Turkije, wij zullen tot het einde met u samenzijn'.

Het was een van de passages die steeds weer terugkeerden in de redevoeringen die de Turkse sociaal-democratische oppositieleider Erdal Inonu van het dak van zijn autobus afstak tijdens zijn tournee van vorige week door Zuidoost-Turkije. Dat staat al bijna zes jaar in het teken van de guerrilla, gevoerd door de PKK, de Arbeiderspartij Koerdistan.

Hoewel de vanuit de Libanese Beka'a-vallei opererende PKK-leider Abdullah Ocalan onlangs in een vraaggesprek met de Turkse Hurriyet heeft betoogd dat zijn beweging geen afscheiding nastreeft doch slechts Koerdische belangenbehartiging, geldt zij in Ankara als 100 procent separatistisch. In Koerdische ogen is er sprake van 'omgekeerd separatisme': het is Turkije dat zich in deze afkeert van de Koerdische werkelijkheid. Zoiets bedoelde ook de toehoorder in het stadje Uludere die, toen Inonu uitriep: 'Samen moeten we de problemen te lijf gaan. Scheidt u zich niet van ons af', interrumpeerde: 'Jullie hebt je van ons afgescheiden'. Op weg naar het zuidoosten kocht ik op het vliegveld van Istanbul de nieuwste kaart van Turkije. Op de kaart, die toch het opschrift 'Turkije' droeg, ontbrak het oosten. Steeds terugkerend in Inonu's toespraken was ook de passage over de Koerdische taal. 'Iedereen in dit land moet zijn eigen moedertaal kunnen spreken, Turks, Arabisch, Koerdisch. Dat is democratie.'

Een paar jaar geleden zou dit nog een hoogst opzienbarende uitspraak zijn geweest. De woorden Koerden en Koerdisch waren toen nog volstrekt taboe. Men sprak weliswaar niet meer van 'Bergturken', maar gewoonlijk van 'de mensen van het zuidoosten'. Maar Koerdische afgevaardigden in het parlement hebben het taboe twee jaar geleden doorbroken, de pers volgde en nu krijgt Inonu voor een uitspraak als deze nog maar een dun applausje. 'Over weer een paar jaar' zegt iemand, 'vlecht hij in zo'n toespraak misschien zelfs een paar Koerdische zinnetjes in, ter verwelkoming of ten afscheid. Maar ook dan is het weer te laat.' Koerdisch kan in deze contreien zowat openlijk worden gesproken (anders dan tot voor kort het Turks in Bulgarije). Alleen in openbare gebouwen, en natuurlijk scholen - waarvan er overigens 442 uit vrees voor de PKK zijn gesloten - wordt het geweerd. Een wet van na de staatsgreep van 1980 verbiedt 'het uitdrukken van gedachten en ideeen' in deze taal - schriftelijk en mondeling, dus ook in toespraken. Tegen de echtgenote van de afgezette en nog steeds gevangen burgemeester van Diyarbakir, Mehdizana, loopt nog steeds een proces omdat zij zich tijdens de campagne van de gemeenteraadsverkiezingen van maart vorig jaar in het Koerdisch - een andere taal kent zij niet - tot de menigte had gericht.

Pas tijdens de persconferentie in Van, na afloop van de tournee, ging Inonu in antwoord op enige vragen wat dieper op de taalkwestie in. 'Zo lang het bij de wet verboden is in het Koerdisch publiekelijk het woord te voeren, zal ik het iedereen afraden ... Maar zodra wij aan de macht zijn, wordt die wet afgeschaft'. De Koerden zullen dan ook, 'net als de Lazen' (een heel kleine taalgroep bij Rise aan de Zwarte Zee) instituten van studie en onderwijs mogen openen om zich op eigen taal en cultuur te bezinnen. Maar dit moet niet door de Turkse republiek, die Turks als voertaal heeft, worden gestimuleerd, laat staan gesubsidieerd. De Koerden vormen geen millet (natie, zoals de Grieken, Armeniers en joden) maar een ulus, een begrip dat instaat tussen 'volk' en 'stam'. Toen in 1973 de toenmalige sociaal-democratische leider Bulent Ecevit zijn verkiezingscampagne in het zuidoosten voerde, weerde hij de woorden 'Koerd' en 'Koerdisch' nog angstvallig uit zijn toespraken. Hij ging fel in tegen 'herrieschoppers' in het publiek die de term 'volkeren van Turkije' lanceerden (waarbij ze voor 'volk' niet ulus maar halk gebruikten).

Daarmee verloor hij tienduizenden potentiele kiezers, die bij nader inzien op onafhankelijke kandidaten stemden, en de nagejaagde absolute meerderheid in het parlement verloor hij daarmee ook. Inonu zit ten aanzien van de Koerden eigenlijk nog in hetzelfde parket. De opmars van zijn partij wordt afgeremd door de uittocht en het royement van Koerdische afgevaardigden die onder andere eisen dat de Koerdische problematiek een plaats krijgt in het partijprogramma. Als de partij culturele emancipatie voor de Koerden voorstaat, waarom wordt dit dan niet schriftelijk vastgelegd? In het algemeen kan met de vraag stellen: waarom loopt Ankara toch steeds een of twee passen achter bij de ontwikkeling van het Koerdische vraagstuk? Dit geldt niet alleen voor de sociaal-democratische oppositie, het geldt ook voor de regering, die in de praktijk min of meer afgedwongen concessies doet - zo mogen er nu, althans theoretisch, muziekcassettes in het Koerdisch met niet-politieke inhoud worden gespeeld - maar geen enkel groot gebaar opbrengt.

President Ozal is een realist, maar geen visionair. Onder de druk van de jongste roerige gebeurtenissen lijkt zelfs een grote stap terug te worden gezet. Het Instituut voor Statistiek heeft bekendgemaakt dat bij de volkstelling van oktober niet meer de vraag naar de 'moedertaal' zal worden gesteld. Vermoedelijk is men bang dat het aantal dat 'Koerdisch' zal durven op te geven, vijf jaar geleden nog geen twee miljoen, deze keer zal oplopen tot het ware cijfer van circa negen miljoen.

Het achterlopen bij de werkelijkheid valt nog het meest te constateren op het strategische vlak. Jarenlang werden de ongeregeldheden in het zuidoosten voorgesteld als het werk van enkele honderden desperado's die voor steun waren aangewezen op de buurlanden Iran, Irak en vooral Syrie. Ozal sprak nog in maart van een 'handjevol bandieten' en van 'problemen die werden overdreven'.

Kort daarop, na de onlusten in Nusaybin en Cizre, riep hij de partijleiders bijeen 'om de territoriale integriteit te redden'.

Maar nog steeds wordt de oplossing gezocht in versterkt gebruik van militaire middelen.

De hele ontwikkeling doet nog het meeste denken aan de manier waarop Frankrijk, militairen en politici, jarenlang bleef uitgaan van de fictie van het Algerie francaise. Ook toen liep men steeds achter de feiten aan. Totdat er iemand kwam - De Gaulle - die de moed en het prestige had om niet een, maar twee stappen naar voren te doen en als het ware de ontwikkeling voor te komen.

Welke Turkse leider zou dit kunnen opbrengen ten opzichte van het Koerdische probleem, dat ongetwijfeld 's lands ernstigste is geworden? De gedachten van eeuwige optimisten gaan uit naar generaal buiten dienst Evren, die president was van 1982 tot vorig jaar. Hij heeft ongetwijfeld het vereiste prestige. Ook heeft hij dezer dagen in een vraaggesprek al laten blijken met de idee van een De Gaulle te spelen.