15 MEI: NU GAAT HET MIS

Ter afsluiting van de serie over de Duitse inval, vijftig jaar geleden, een reportage van onze redacteuren A. E. Visser en F. Ph. Groeneveld over hoe de Nederlandse bevolking de meidagen beleefde.

Na vier dagen vergeefse strijd begon de Duitse bezetting. De oorlog was voorbij. Op 15 mei telde Nederland 4.579 doden. Onder de burgerij waren 2.559 mensen omgekomen en in de krijgsmacht 2.200, van wie 380 man bij de slag om de Grebbeberg, de strijd die het meest tot de verbeelding heeft gesproken en aan de krijgshistorische mythevorming heeft bijgedragen. In herinnering aan en ter ere van deze militairen werd in de jaren vijftig een liedje gecomponeerd en dikwijls voor de radio gespeeld: Neem eens een handje met bloemen en leg het neer op het graf /want daar ligt de held /die op het Grebbeveld /z'n leven voor 't vaderland gaf / Behalve een relatief groot aantal gesneuvelden waren er ook nog 2.700 gewonden van wie ongeveer een derde deel blijvend invalide werd. Hoe groot het dodencijfer bij de vijand was, is onbekend. Historici weten slechts dat de 22ste Luftlande-Division bij zijn voor een groot deel mislukte operaties in het gebied tussen Haarlem en Hoek van Holland zware verliezen heeft geleden. Onder de helden van de Grebbeberg waren twee militairen uit Haarlem en omgeving: majoor W. P. Landzaat, oud-lid van de Haarlemsche Tooneelclub en J. K. Veurman, onderwijzer aan de Bornwaterschool in Bloemendaal. In de Grote- of St. Bavokerk in Haarlem werden zij en 33 andere oorlogsslachtoffers op 29 en 30 mei 1940 plechtig herdacht. En een week later nog eens in de Haarlemse gemeenteraad. De burgemeester, baron De Vos van Steenwijk liet het niet bij de herdenking van de gesneuvelden alleen. Hij riep de Haarlemse bevolking op haar dagelijkse taak zo goed mogelijk te blijven vervullen en deed op hen een klemmend beroep om royaal bij te dragen ter leniging van de nood in de door het oorlogsgeweld getroffen gebieden. Waarna er in de stad aan het Spaarne niet minder dan 30.000 gulden (naar huidige maatstaven circa 300.000 gulden) voor dit doel werd ingezameld. In politieke zin had Haarlem, met 140.000 inwoners de vijfde gemeente van het land, voor de oorlog niet zo'n bijster gunstige reputatie. De partij van Anton Mussert had er een grote aanhang. Bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten van 1935 stemde ongeveer tien procent van de stemgerechtigden in Haarlem en omgeving op de NSB. Ook zouden tal van NSB-kopstukken uit deze streek afkomstig zijn, aldus de schrijver van een ongepubliceerde scriptie die zich in het Haarlems gemeentearchief bevindt. Naar zijn zeggen wemelde het in de jaren '30 in Kennemerland van anarchistisch, rechts-autoritaire partijtjes die vooral onder de gegoede burgerij veel invloed zouden hebben gehad. Los daarvan wijst gemeentearchivaris J. J. Temminck er op dat de jodenvervolging waarmee de Duitse bezetter in het tweede oorlogsjaar begon, in Haarlem in feite een half jaar eerder begon dan elders. De nu bijna 65-jarige bakkerszoon Werner Beulink herinnert zich maar al te goed dat men in de regio Haarlem dweepte met alles wat Duits was. Volgens hem gold dat vooral in plaatsen als Aerdenhout en Bloemendaal. 'Daar stikte het van de Duitse dienstbodes die zo goed konden koken.'

Hij ging net als zijn vader in het verzet. Zijn vader is vermoedelijk in een Duits concentratiekamp omgekomen.

Ook de vroegere Haarlemse jeugdpredikant E. Frater Smid heeft dergelijke herinneringen. Naar zijn idee stond men in zijn woonplaats heel naief tegenover het Duitse gevaar en de oorlogsdreiging. Men was nogal goedgelovig en meende dat er met Duitsland een nieuw Europa in aantocht was. 'Dat geldt ook voor mijzelf. Ik had Mein Kampf wel in de boekenkast staan, maar had dat nooit gelezen'.

Direct na de inval werd een groot deel van de NSB'ers, in Nederland wonende Duitsers, communisten en joodse vluchtelingen als staatsgevaarlijk gearresteerd en geinterneerd. Nieuwenhuis schrijft dat enkele NSB'ers zich tegen arrestatie probeerden te verzetten, waarbij soms vanuit woonhuizen Nederlandse soldaten in de rug werden geschoten. Maar de meesten waren bang en onderwierpen zich gedwee. 'Hadden we toen maar snelrecht toegepast, misschien zou in de jaren daarna aan onschuldig gepijnigde stadgenoten en hun families veel leed zijn bespaard gebleven, ' aldus Nieuwenhuis.

In april was de oorlogsdreiging toegenomen. De Nederlandse krijgsmacht was gemobiliseerd en op zee woedde de strijd waarvan ook de Nederlandse visserij dikwijls het slachtoffer werd. Het Haarlems Dagblad, een uitgave van Lourens Coster Maatschappij voor Courant-Uitgaven, berichtte daar uitvoerig over.

D. Geluk was destijds ambtenaar op de provinciale griffie en lid van de gemeenteraad. 'Ik interesseer me meer voor de politiek van vandaag dan voor het verleden.'

Hij loopt naar de radio om hem wat zachter te zetten. Hij was liever blijven luisteren naar het debat in de Haarlemse gemeenteraad. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog is de PvdA na de laatste gemeenteraadverkiezingen buiten het Haarlemse college van B en W gebleven. 'Kunnen we het kort houden?' Zijn verhaal over wat de oorlogsdagen in het dagelijks leven in Haarlem teweegbrachten is inderdaad kort. 'Ik ging op 10 mei gewoon naar mijn werk, het gewone leven moest toch doorgaan? Je kon moeilijk zeggen: we blijven allemaal thuis.' Hij herinnert zich vooral dat hij opgelucht was toen de Duitse vliegtuigen overvlogen - het is zover. 'Ik dacht: nu gaan we Hitler eindelijk op zijn gezicht slaan. Ik had het allang zien aankomen, eigenlijk al sinds 1938 toen in Munchen door Hitler, Mussolini, Daladier en Chamberlain werd beslist over het lot van Tsjechoslowakije. Chamberlain kwam terug, hij had zogenaamd de vrede gered, maar de democratie was vermoord.'

Zozeer was hij ervan overtuigd dat Hitler niet te stuiten zou zijn dat hij in 1937, pas getrouwd, een huis kocht in Overveen - om vooral niet vlak bij een spoorlijn te wonen.

Via de radio werden optimistische berichten uitgezonden, zegt hij. In de trant van: het Nederlandse leger houdt dapper stand. En: er is hulp op komst uit Belgie en Frankrijk. Geluk: 'Die hulp kwam natuurlijk niet, maar legerberichten in oorlogstijd zijn altijd optimistisch of onvolledig omdat informatie wordt achtergehouden.' Volgens G. M. Nieuwenhuis, auteur van De stad aan het Spaarne in zeven eeuwen (Amsterdam, 1946) werd meteen bij het begin van de oorlog duidelijk hoe dom het voordien was geweest om de NSB en haar aanhangers alleen maar als iets ridicuuls te zien. 'Ze bleken gevaarlijker te zijn dan men dacht. Ze vormden een bende verachtelijke landverraders die al voor de oorlog aan de Duitsers belangrijke gegevens hadden verstrekt.' Direct na de inval werden NSB'ers, in Nederland wonende Duitsers, communisten en joodse vluchtelingen als staatsgevaarlijk gearresteerd en geinterneerd. Nieuwenhuis schrijft dat enkele NSB'ers zich tegen arrestatie probeerden te verzetten, waarbij soms vanuit woonhuizen Nederlandse soldaten in de rug beschoten werden. Maar de meesten waren bang en onderwierpen zich gedwee. Een NSB'er: 'Ten hemel schreiend is de behandeling, die we hier ondergaan. Een latrine emmer in hokje dient tot W. C.: blikken kroezen om uit te drinken: een tafel met 2 harde houten banken. (...) Joop is heel flink en wij spreken elkaar alsmaar moed in. Wij hopen nu van harte dat de Duitsche troepen snel oprukken want de toestand is zoo dat zij onze bevrijders moeten worden.'

(Uit: Dagboekfragmenten, 1940 - 1945). Vanna Rolie was 14 jaar toen de oorlog uitbrak. Ze zat in de tweede klas van de meisjes-HBS. Nog ziet ze haar vader op 9 mei 1940 's avonds laat thuiskomen. 'Hij zei dat er wat aan de hand was omdat zijn schip, 'de Stad Schiedam', het laatste was dat Rotterdam nog had binnen kunnen lopen.' Ze verheugde zich op de jaarlijkse luilakbloemenmarkt met paling en oliebollen op zaterdag 11 mei, de tweede oorlogsdag. De bloemenmarkt ging niet door. Terugdenkend aan die dagen zijn haar man en zij vooral verbaasd dat ze in Haarlem eigenlijk zo weinig van de oorlog hebben gemerkt. Voor de inmiddels gepensioneerde juriste E. Nanninga ligt dat heel anders. Ze was zeventien en zat in de vierde klas van het Stedelijk Gymnasium toen de oorlog begon. In 1942 deed ze eindexamen en werd daarna actief in het plaatselijk verzet, vooral op het gebied van hulpverlening aan onderduikers. Van het begin van de oorlog weet ze niet zoveel meer. Wel dat het mis was, op die vroege ochtend van de 10de mei: 'Dat was de nacht dat ik mijn vader zag huilen.' Werner Beulink hoorde 's morgens vroeg het geronk van overkomende vliegtuigen. 'Ik zette direct de radio aan. Het was oorlog. Mijn moeder viel meteen op haar knieen om te bidden. Dat vond ik nogal pijnlijk. Maar ja, mijn ouders waren gelovige mensen en mijn broer was opgeroepen bij het 10de Regiment infanterie dat bij Wijk aan Zee lag.'

Dominee Frater Smid herinnert zich helemaal niets van de gebeurtenissen. 'Maar ik weet wel dat ik vreselijk verdriet had dat oorlog echt mogelijk was. Dat het niet iets uit een geschiedenisboekje was maar ook ons kon overkomen. Aan die realiteit wilde en kon ik niet maar niet wennen.' De dichter Muus Jacobse: 'Er hing iets wonderlijks toen in de lucht: de zwarte vogels boven onze hoofden, en wij die zagen en nog niet geloofden... tot elk opeens begreep: er is geen vlucht.' Tot 15 mei hadden de Haarlemmers praktisch geen Duitser gezien. De stad bleef voor het oorlogsgeweld gespaard. Veel troepen van het Hollandse veldleger lagen er niet. En wat er lag kreeg, op een bataljon na, opdracht naar Den Haag op te rukken of bewakingsdiensten in Amsterdam te doen.

Een in Haarlem gelegerde soldaat schrijft in zijn dagboek dat toen op 7 mei alle verloven waren ingetrokken aan de manschappen munitie (piepers) en noodrantsoenen (drie blikjes scheepsbeschuit en een blik gehakt) werden uitgedeeld. En dat de soldaten tijdens de oorlogsdagen, ondanks het feit dat zij van meesterlijke strategische zetten droomden, volstrekt niets te doen hadden.

Het front lag veraf. Maar de bevolking was wel bang. En dus bleef men op eerste Pinksterdag thuis in plaats van naar Zandvoort te gaan wat de gewoonte was. Een probleem vormde de plotselinge overplaatsing van het materieel en het personeel van een Utrechts transportbedrijf op 11 mei, omdat direct huisvesting voor 150 mensen gevonden moest worden. Voorzover Geluk zich kan herinneren werd in zijn onmiddellijke omgeving niet negatief gerageerd op het bericht dat de regering en koningin Wilhelmina met haar familie naar Engeland was vertrokken. 'Ik vond het volkomen juist dat de regering vertrok. Indie moest toch bestuurd worden? Politiek gezien bleek het tijdens de bezetting grote voordelen te hebben. Ik voelde me op geen enkele manier verraden.'

Een ambtenares schreef op 12 mei in haar dagboek: 'Onze Prinses is al weg. 't Is hier te onveilig voor haar dus. Gelukkig dat ze nu veilig is. De toekomst van 't Oranjehuis is dus safe. (...) Ze moest zeker weg omdat ze hier geen functie heeft, behalve bij 't Roode Kruis dan, haar belangrijkste functie ligt in de toekomst. ' (Uit: Dagboekfragmenten, 1940 - 1945). Beulink is een van de weinige Haarlemmers die aan de meidagen sensationele herinneringen bewaart. Hij vertelt hoe de soldaten in de buurt op Duitse parachutisten schoten. 'Alsof ze op hazen joegen. Als ze iemand getroffen hadden, gooiden ze de karabijn weer over de schouder en fietsten ze verder. En die wegcontroles! Ze hielden auto's aan en dan moesten de bestuurders 'Scheveningen' zeggen, om na te gaan of het wel Hollanders waren.' De soldaat wiens dagboek zich bevindt op het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, werd voor bewakingsdiensten naar Amsterdam gestuurd, waar zijn ouders hem op de eerste Pinksterdag kwamen opzoeken. Op 14 mei noteert hij in zijn dagboek: burgemeester De Vlugt van Amsterdam heeft gezegd dat de toestand vijftig procent beter is dan gisteren en dat de Duitsers overal rake klappen zouden hebben gehad.

Maar diezelfde 14de mei kwam de ontgoocheling. De soldaat: 'Tegen den avond worden wij ingekwartierd aan de Landmeersche dijk. Voor het eerst na een week lopen we weer met glimmende, gepoetste schoenen. De Duitsers, die bij Edam waren geland, hebben we nooit gezien. Het zal wel een van die fantastische geruchten zijn geweest, die bij tientallen de ronde deden. Er waren mensen, die de Engelse troepen op de Dam en in de Leidsestraat met eigen ogen hadden gezien! Men raamde het aantal Engelsen in Amsterdam op 20 a 25 duizend! 's Avonds om 6 uur gaan we ons kwartier binnen: boven horen we het A. N. P., de deur staat half open. Vage klanken kunnen we opvangen: Winkelman, Vesting Holland, overgegeven. We willen het niet geloven en een sergeant schreeuwt, dat de omroeper met een revolver in zijn rug gedwongen wordt dit bekend te maken. Hij raakt over zijn zenuwen. Op dat ogenblik komt de familie van boven de trap af en zegt dat de Vesting Holland door Generaal Winkelman is overgegeven om verder bloedvergieten te voorkomen. Na Rotterdam zou Amsterdam haar beurt hebben gehad. 'Nog twijfelen we, maar als we onze wacht weer willen betrekken, deelt de sergeant-majoor ons met bewogen stem mee, dat hij van hogerhand bevestiging van het bericht heeft ontvangen. We hoeven nog slechts wacht te lopen tegen plundering en opstootjes. Magazijn ledigen en bajonet af. Allemaal zijn we terneergeslagen en geneigd om de kleinste dingen ruzie te maken. Onze zenuwen komen wat tot rust en zijn lang zo gespannen niet meer als toen de strijd (waarvan we vrijwel niets hebben beleefd) nog aan de gang was.'

Een dag later: 'Bij het ontwaken zijn onze geweren en munitie verdwenen, in het water geworpen. Majoor Molkenboer, reeds 24 jaar beroepsmajoor, heeft deze opdracht met tranen in de ogen volbracht. Later op de dag krijgen we in ons kwartier bericht, dat wij per vrachtauto naar de stad zullen worden vervoerd. Strozakken en uitrusting worden naar de kant van de weg gebracht, alles gereedgemaakt voor het vertrek. Het duurde nog vier uur eer de auto kwam ... '. Wat niemand wist en wat historisch gezien ook niet vaststaat, is dat de Duitsers na Rotterdam mogelijk ook nog Haarlem, Amsterdam, Den Haag en Utrecht wilden bombarderen om Nederland definitief op de knieen te krijgen. Dat plan is weliswaar in geen enkel Duits oorlogsdocument te vinden, maar dr. L. de Jong is er zeker van dat Hitler dit voornemen koesterde, dit in tegenstelling tot Nederlandse militaire historici als H. Amersfoort en P. H. Kamphuis (Mei 1940; de strijd op Nederlands grondgebied, Den Haag 1990). De Jong wijst in het derde deel van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog op de Duitse commandant, Oberstleutnant Von Choltitz die kort na 14 mei tegen het Rotterdamse gemeentebestuur zou hebben gezegd dat als Nederland zich niet had overgegeven nog vier andere steden gebombardeerd zouden worden.

Nederland gaf zich over. Geluk: 'Een vriend van mij was half-joods, die zat hem te knijpen na de capitulatie. Hij verbrandde hele jaargangen van De Groene Amsterdammer. Ik heb zelf toen ook veel papieren verbrand. Je zag de toestand na de capitulatie ernstig in, maar de eerste tijd viel het mee. Je dacht: nu gaat het mis, ze staan straks voor de deur - maar er gebeurde niets.' Tijdens de oorlogsdagen had zijn vriend er niet over gedacht om te vluchten. Duizenden, vooral joden, wel. Men zocht 'de uitweg in den vreemde, de uitweg in de dood, ' schrijft J. Presser in Ondergang. 'In den vreemde, dat was de grenzen over. In de zuidelijke provincies hier en daar in evacuaties mee, waaruit men een paar dagen later meestal weer met de anderen terugkeerde, net als die anderen de ramen opengooide, de klok opwond, de straat opging.' Er was de vlucht naar de kust. Naar Velsen, naar IJmuiden en vandaar met de boot naar Engeland. Er lag een schip gereed, bestemd voor joden die naar Engeland wilden. Althans, zo wilde het gerucht. Velen gingen, en ondervonden 'de hinderlijkheid, veelal als meedogenloosheid gevoeld, van de door Nederlandse en/of politie uitgeoefende controle. Voor vluchtende statenlozen was zij in vele gevallen helemaal noodlottig, ' schrijft Presser. Eenmaal in IJmuiden kon men niet of nauwelijks bij de 'J. P. Coen' komen en bleek de hoop op een veilig heenkomen ijdel. In de chaos lukte het volgens Presser toch veel joden en ook niet-joden het water te bereiken. De meesten keerden echter huiswaarts.'En jullie nu?' zei de buurman. Hij kwam wat dichterbij. 'Wat doen jullie?' 'Wij?' zei mijn vader, 'wij doen niets. Waarom zouden we?' De buurman haalde zijn schouders op en plukte een blaadje uit zijn heg. 'Als je hoort wat ze daarginds... ' 'Hier zal 't zo'n vaart niet lopen', zei mijn vader. (...) Er passeerden ons nu geregeld soldaten van de bezettingstroepen. We liepen er gewoon langs. 'Zie je wel, zei mijn vader, toen we al bijna thuis waren, 'ze doen ons niets'. En terwijl we voorbij het hekje van de buurman liepen, mompelde hij nog eens: 'Ze doen ons niets'. (Uit: Marga Minco, Het bittere kruid). Er was de vlucht in de dood. Hoeveel joodse Nederlanders in de meidagen zelfmoord hebben gepleegd is alleen bij benadering te schatten. 'Met het getal van 150 zal men niet al te ver van de waarheid zijn, ' aldus Presser. De echtgenoot van Vanna Rolie herinnert zich nog de vele rouwadvertenties van joodse inwoners van Haarlem die een einde maakten aan hun leven. In Den Haag waren ruim dertig gevallen van zelfmoord. In zijn 'Kroniek der Jodenvervolging' schrijft A. J. Herzberg over de 'brede grafzerken, waarop een man met zijn vrouw en kinderen zijn vermeld.' Er is wel gesproken van een zelfmoordepidemie en volgens Presser is deze term op zijn plaats wanneer wordt bedacht hoeveel zelfmoordpogingen mislukten. Presser: 'Toen enkele dagen na de capituatie het gerucht ging, dat Joden alsnog Nederland zouden kunnen verlaten, merkte men aan de loketten van het Bevolkingsregister bij verschillende bezoekers sporen op van mislukte pogingen tot zelfmoord, zoals verbonden polzen en halzen.' Op woensdag 15 mei verschenen 's middags om twee uur de Duitsers met gemotoriseerde troepen en pantserwagens op de Grote Markt in Haarlem. Een dag later presenteerde zich daar ook nog de 9de Panzer-Division die op persoonlijk bevel van de Fuhrer, samen met de SS-Leibstandarte 'Adolf Hitler' vanuit Rotterdam een demonstratieve zegetocht naar vijf Hollandse steden ondernam. Veel Haarlemmers waren nieuwsgierig. Sommigen brachten de Hitlergroet. B. van Duren: ' Ik was zestien jaar en mocht eigenlijk nooit de deur uit, althans niet langer dan een uur. Van mijn ouders mocht ik absoluut niet naar de Grote Markt maar ik wilde de vijand zien. Het waren beslist geen gesjochte jongens, maar heel gedisciplineerd die me eerlijk gezegd groot ontzag inboezemden. Later kreeg ik thuis flink op mijn kop omdat ik volgens mijn vader veel te enthousiast was. Vooral over hun mooie motoren.'

Anderen hadden zich mannen met barbaarse gezichten voorgesteld, maar zagen jongens die niet ouder waren dan twintig 'met droefgeestig starende ogen' van wie er een 'met een beschaafde stem vroeg of ze niet haast aan zee zaten'.

De Duitse majoor Freude trad op als eerste Ortskommandant in Haarlem. Hij nam meteen zijn intrek in cafe-restaurant Brinkmann op de Grote Markt waar een reisbureau al snel zorgde voor vier taxi's en twee bussen om hem te vervoeren. De politie leende de bezetter vijf dienstfietsen en het bedrijfsleven zorgde voor de aanvoer van tikmachines en ander kantoormateriaal. De rekening kon naar het stadhuis worden gestuurd.

Vroom en Dreesmann leverde een groot aantal matrassen voor de militairen die in twee kazernes, scholen, hotels en grote gebouwen waren ondergebracht. Vandaaruit trokken zij op gezette tijden de stad in, 'hun vreugde over de verwerving van het nationaal-socialistische geluk uitzingend in Heimat-bejubelende liederen', aldus gemeentearchivaris Temminck.

De bezetter had het de eerste dagen niet slecht in Haarlem en was ook, zo blijkt uit een oorkonde van een uit Hamburg afkomstig legeronderdeel, bijzonder dankbaar voor de vriendelijke en gastvrije manier waarop hij door de Duitse ingezetenen van Haarlem was ontvangen. De overweldiger gedroeg zich de eerste tijd voorkomend, weinig opdringerig en trachtte de bevolking voor zich te winnen, schrijft G. M. Nieuwenhuis. Onder de bevolking was echter sprake van 'een zo'n koele gereserveerdheid, dat de Duitser zijn vriendelijkheden spoedig bepaalde tot dat deel van de vrouwelijke bevolking, dat in elke plaats en in elk land voor internationale tegemoetkoming schijnt aanwezig te zijn. Zijn vertoon in de straten die spoedig met Duitsche uniformen overvuld waren maakte een onaangename indruk. Er kwam een groot aantal cafe's met Duitse namen en dronken of half-dronken Germanen zwaaiden er in en uit met hun vrouwelijk gezelschap: kinderen vaak van nauwelijks vijftien of zestien jaar.' Tijdens de oorlogs- en de eerste bezettingsdagen deden zich als gevolg van de spanningen af en toe ongeregeldheden voor. Van regelrechte ordeverstoring was echter geen sprake met als gevolg dat de politie op andere, gewonere problemen stuitte. Het 'wielrijdend publiek' hield zich bijvoorbeeld niet aan de verkeersvoorschriften. Nadat daartegen verscheidene malen was gewaarschuwd werd tegen de overtreders streng opgetreden. Bij welk karwei op medewerking van de Duitsters kon worden gerekend. Voor D. Geluk was het pijnlijk om te zien dat de NSB'ers die tijdens de oorlogsdagen geinterneerd waren, meteen daarna al weer vrij kwamen en bij de intocht van de Duitse troepen aanwezig waren. 'Maar nogmaals, de eerste tijd viel het mee. We hadden ook voldoende te eten en dachten er niet aan om voedsel te hamsteren. Dat was ongeveer het enige wat de regering goed had gedaan: enorme voorraden aanleggen. Het hamsteren kwam pas veel later op gang maar wat ons gezin betreft met mate. Mijn vrouw kocht in plaats van een pakje thee, twee. Dat is natuurlijk geen hamsteren.' Onder de vrijgelatenen bevond zich ook de vooraanstaande Haarlemse NSB'er S. Plekker, die in 1941 burgemeester van Haarlem zou worden.

Beulink ging in het verzet. Hij sloot zich aan bij een sabotagegroep waarvan hij trots de papieren laat zien. Het 'eenvoudige werk' begon al snel na de capitulatie. 'Met het opduiken van wapens die de Nederlandse militairen in het Spaarne hadden gegooid en die we dan in vaders bakkerij lieten drogen.' Dominee Frater Smid daarentegen heeft zich er altijd voor gehoed mensen direct te beinvloeden of tot actie op te roepen. 'Dat was geen lafheid, maar iets waarin ik mijnhele leven heel principieel ben geweest. Mensen moeten iets uit vrije keuze doen en niet omdat de dominee het zegt. Ik was van 1942 tot 1945 in Haarlem jeugdpredikant en dat was, juist door de oorlog, eigenlijk een heerlijke tijd omdat je kon werken aan de versterking van het innerlijk leven van die jonge mensen waar je mee bezig was.'

De schouwburg, de concerten, bioscopen en sportwedstrijden gingen volgens gemeentearchivaris Temminck de hele oorlog gewoon door. Wat niet doorging was de al eerder uitgestelde viering van het eeuwfeest van het in 1839 verschenen boek, de Camera Obscura van Nicolaas Beets. In de Camera staat dat ironische hoofdstuk 'Een onaangenaam mensch in den Haarlemmerhout' dat de Haarlemmers het meest aansprak. Maar het eeuwfeest van de Camera alsnog in 1940 vieren, daarvan moest door de loop der gebeurtenissen opnieuw worden afgezien.