Sovjet-regisseurs als partner het felst begeerd

CANNES, 14 mei - Van het Carltonhotel - waar net een interview met de schrijver van White hunter, black heart op de canape van Warner Bros. grondig verpest was door kakelende secretaresses, handen schuddende passanten en de entree van ster Marisa Berenson - kun je normaal met stevige pas in tien minuten het festivalpaleis van Cannes bereiken. Op zaterdagmiddag is de Boulevard de la Croisette echter volledig verstopt door dagjesmensen. De plaatselijke krant Nice-Matin, had bovendien melding gemaakt van een top-ontmoeting tussen supersterren Sylvester Stallone en Arnold Schwarzenegger, maar die verlieten de hele dag de omheining van het Hotel du Cap in Juan-les-Pins niet. De touristen konden met veel geluk misschien wel een glimp opvangen van andere sterren, bijvoorbeeld de dit jaar in Cannes als regisseur debuterende Monica Vitti, of Michele Placido en Ben Gazzara.

Zwaaiend met een koffertje om bedelaars, polaroidfotografen en families-op-sjiek te vermijden, arriveerde ik een minuut voor de aanvang van de voorstelling bij de Salle Claude Debussy. Daar was echter al een cordon zaalwachten gestationeerd met de onverbiddelijke mededeling dat het auditorium vol was. Een van de paar dozijn buiten wachtende journalisten opende de onderhandelingen met de op ervaring berustende stelling dat 'vol' meestal betekent: op vijftig stoelen na. De gorilla's waren niet te vermurwen: er was van hogerhand besloten dat de zaal vol was. Dat scheelt dus weer een paar regels over Vassili Pitsjoels' vervolg op Kleine Vera onder de veelbelovende titel O, wat zijn de nachten op de Zwarte Zee donker!. Terwijl het hoofdprogramma van Cannes dit jaar geen enkele inzending telt uit Scandinavie, Spanje, de Benelux of West-Duitsland, slaan de Oosteuropeanen hun slag.

Sovjet-regisseurs zijn de meest begeerde co-produktiepartners op dit moment, want ze hebben talent en goedkope produktiefaciliteiten, en bovendien een verhaal te vertellen. Hun afrekening met het verleden spreekt universeel tot de verbeelding, en elke kijker begrijpt de visuele referenties aan hamer en sikkel. In het aardige debuut van de Est Peeter Simm, De man die niet bestond, voeren popperige acteurs er een folkloristisch dansje mee uit. Een enorme lichtbak in de vorm van hamer en sikkel is de schuilplaats van een ontsnapte gevangene in de Canadees-Zweeds-Oekraiense co-produktie Het zwanenmeer-De zone van Joeri Illjenko, naar een door de Armeens-Georgische regisseur Sergei Paradzjanov tijdens zijn detentie geschreven scenario. De deprimerende en bijna woordloze beeldenorgie van Illjenko bevat opgejaagde zwanen in een helse goelag en de opstanding van een gestorven kampbewoner door bloed van een van zijn bewakers.

Lichter van toon en meer toegankelijk is de Frans-Russische co-produktie Taxi Blues van Pavel Loengin, het dubbelportret van een conservatieve Moskouse taxichauffeur en een joodse, anarchistische saxofonist, gespeeld door popzanger Pjotr Mamonov van de vermaarde groep Zvoeki Moe. Omdat hij zijn rit niet wilde betalen, wordt de muzikant geterroriseerd en als slaaf gebruikt door de vertegenwoordiger van het gezonde Russische volksgevoel, dat van al die vrijheidslievende nietsnutten weinig moet hebben.

Roulement

De Oost-Europa-golf in Cannes bracht ook twee films in competitie, die lange tijd verboden waren. De Poolse film Ondervraging van Ryszard Bugajski over de arrestatie en marteling van een zangeres (Krystyna Janda), opgenomen in 1982. Het is de beste film in competitie in Cannes tot nu toe, maar een bekroning zou wel eens verhinderd kunnen worden door het uitgebreide illegale roulement van de videoband, in Polen, maar ook op eerdere internationale festivals, waaronder Rotterdam.

Het bestaan van de Tsjechoslowaakse film Het oor van Karel Kachyna uit 1969 was minder bekend. Vorig jaar ontdekten de samenstellers van een Tsjechische cyclus op de NOS-televisie het pareltje in een Praags archief, maar moesten de uitzending uitstellen tot vlak na Cannes (26 mei), waar de wereldprimeur plaats vindt. Het oor is een mooie, je zou bijna zeggen: kafkaeske satire over een hoge partijbeambte en zijn verveelde vrouw, die op een dag ontdekken dat hun hele huis voorzien is van microfoons. Betekent dit nu het einde van een voorspoedige carriere of is het juist de onvermijdelijke bijwerking van een mogelijke promotie? De absurde komedie over horigheid aan arbitraire machthebbers snijdt hout en betekent de rehabilitatie van Kachyna, die sindsdien slechts degelijke, maar ongevaarlijke kinderfilms zou afleveren.

Het aardige van de Oosteuropese maatschappijcritici is dat ze zelden drammen. Als Hollywood een misstand ontdekt, zoals de internering in kampen van Japanse burgers in Amerika tijdens de Tweede Wereldoorlog, dan maakt Alan Parker er in Come See the Paradise een retorische tearjerker van, met als meest schrijnende emotie het feit dat de kerstman weigert een Japans-Amerikaanse kleuter op schoot te nemen. Een wijs en intelligent betoog tegen de doodstraf van de Italiaan Gianni Amelio (Porte aperte) laat Gianmaria Volonte als rechter in fascistisch Palermo een drievoudige moordenaar tijdelijk het leven sparen. De klassiek vormgegeven, gedragen film is zo deugdzaam, dat je stiekem verlangt naar de tintelende, vaak onbeheerste woede van de uit zijn voegen barstende nieuwe Oosteuropese cinema.