Offshore zoekt schone technologie

ROTTERDAM, 14 mei - Vanaf offshore-platforms wordt zoveel olie-achtig materiaal in de Noordzee geloosd dat volgens biologen het bodemleven tot in wijde omtrek is aangetast. De oliemaatschappijen, als operators verantwoordelijk voor het kwaad, hebben gemopperd dat olie- en gaswinning au fond een tijdelijke zaak is en dat men zich dus zou moeten afvragen hoe lang de bodem rond de platforms dood blijft (want de meeste olie is afbreekbaar) - het milieu heeft als antwoord dat au fond ook het menselijk leven een tijdelijke zaak is.

De vervuiling kreeg op de Noordzee-conferentie in maart de volle aandacht maar enige weken daarvoor was Nederland, op initiatief van de IRO (Industriele Raad voor de Oceanologie) al in kleine kring bijeengekomen. Regelgevers, operators en contractors, in dit geval de leveranciers van milieutechnologie, bespraken in alle rust de problemen. Hoe moet de vervuiling worden gedefinieerd, gemeten en gecontroleerd en hoe zou de wetgeving moeten worden aangepast. Wat zijn de technische oplossingen.

Klein ongerief negerend zou men kunnen zeggen dat de offshore het milieu op twee manieren vervuilt. In de eerste plaats bij de winning van olie en gas (vooral gas) vanaf 'produktieplatforms', daarnaast bij het boren vanaf de booreilanden. Overigens wordt op het Nederlandse deel van de Noordzee voornamelijk gas gewonen: daar zijn 66 platforms voor neergezet met NAM, Placid, Wintershall en Elf Petroland als voornaamste operators. Er zijn 14 platforms voor olie.

Bij de winning van aardgas komt veel water vrij. Dat water was al, op duizenden meters diepte, in het gas aanwezig maar als waterdamp. Bij de expansie en afkoeling die optreedt als het aardgas naar de oppervlakte komt condenseert het, samen met een aantal hogere koolwaterstoffen die eerst ook gasvormig waren. Op het produktieplatform bevindt zich daarom een gasbehandelingsinstallatie die vloeistof van gas scheidt, en in een tweede trap de vloeistof opsplitst in koolwaterstoffen ('olie') en water. De koolwaterstoffen mogen mee de gaspijp in, het water gaat 'over de muur'. Omdat de scheiding nooit volledig is, bevat dat water nog resten olie.

Het Staatstoezicht op de Mijnen stelt, een aanbeveling van de 'Parijse Conventie' van Noordzee-staten volgend, sinds 1988 een maximum aan het oliegehalte van het afvalwater van 40 milligram per liter. Die norm is destijds opgesteld voor olie-winning en de olieplatforms voldoen er zonder veel moeite aan, maar de gaswinners absoluuut niet. Onder de kracht van de gas-expansie condenseren water en olie in zulke kleine druppeltjes dat olie en water nauwelijks van elkaar willen scheiden. Men ziet dat ook met olie en azijn in mayonaise.

Voor het eind van dit jaar moeten de operators nietemin aangeven hoe ze denken aan de norm te gaan voldoen. Vandaar hun belangstelling voor moderne scheidingsmethoden tijdens het IRO-dagje. Ingenieursbureau Tebodin gaf een overzicht van de meestbelovende technieken. In aanmerking komen centrifuge-systemen (zoals van Alfa Laval) en chemische trucs om de olie-water emulsie te doen uitvlokken (zoals de 'emulsion-splitting' van HEC-Holland). Het bezwaar van de laatste is dat ze hulpchemicalien gebruiken en dus extra afval opleveren. Dat bezwaar mist de 'flotatie' (bijvoorbeeld van Pielkenrood). Opzet van flotatie is zo lucht in een emulsie te brengen dat de luchtbelletjes zich aan de oliedruppeltjes hechten en deze naar de oppervlakte tillen. Ten slotte lijkt ook de ultrafiltratie (Stork Friesland) een bruikbare techniek: de olie is ook met moderne microporeuze membranen uit het water te filtreren. Hinderlijk is dat de membranen nogal snel verstoppen.

Het boren naar olie of gas levert het andere milieuprobleem, volgens het Staatstoezicht zelfs het grootste probleem. Bij het boren tot op een diepte van duizenden meters worden de boorbeitel, en het pijpenstelsel waaraan deze vast zit, continu gespoeld met 'boorspoeling'. De boorspoeling ('drilling mud') koelt de beitelkop, voert het boorgruis af en verlaagt de wrijving tussen de duizenden meters boorpijp en de schachtwand (vooral van belang als er scheef of zelfs horizontaal geboord wordt). Tenslotte voorkomt de boorspoeling dat een vers geboorde gang dichtstort voor hij met staal wordt bekleed.

Het probleem is dat de boorspoeling vaak op basis van olie is: Oil Based Mud, OBM. Olie smeert beter dan water en dringt niet door in de zoutlagen waar men op de Noordzee meestal doorheen moet. Vroeger gebruikte men voor OBM botweg dieselolie met wat toevoegingen. Dat is voorbij: het gebruik van laag-toxische en afbreekbare olien is verplicht. Dan nog is er het probleem dat het boorgruis, dat terug in zee wordt gestort, veel olie met zich meeneemt. Het wettelijke maximum staat op 100 gram olie per kilo droog gruis.

De technische oplossing komt van fijnmalen, chemisch wassen en aansluitend centrifugeren. In on-shore installaties durft men het gruis ook voorzichtig te verhitten om het olievrij te maken.