Kinderrechter soms in positie van 'januskop'

DEN HAAG, 14 mei - De stroom wanhopige brieven aan de minister van justitie en de leden van de bijzondere commissie voor het jeugdwelzijnsbeleid in de Tweede Kamer over Raden voor de Kinderbescherming en kinderrechters is vorig jaar sterk toegenomen. Het aantal klachten nam in het najaar zodanige vormen aan dat de Kamercommissie besloot een onderzoek te laten houden naar het functioneren van de Raden, die de toegangspoort tot het jeugdrecht vormen. Staatssecretaris Kosto (justitie) nam zijn eigen politieke verantwoordelijkheid en ook hij zette een commissie van deskundigen aan het werk, die vandaag over haar bevindingen rapporteert. Het instituut van kinderrechter, dat sinds 1922 bestaat, heeft altijd onder vuur gelegen en voor de Raden voor de Kinderbescherming, die in 1956 uit een transformatie van de Voogdijraden ontstonden, geldt eigenlijk hetzelfde. In de jaren zestig waren de protesten hevig, in het daarop volgende decennium, toen het welzijnswerk zijn vleugels over de samenleving uitsloeg, werd het wat minder. Maar de afgelopen tien jaar is de roep om een herziening van deze eigenaardige symbiose tussen rechtspraak en hulpverlening weer verhevigd. Radeloze ouders, die op voorspraak van de Raad voor de Kinderbescherming hun kinderen zien vertrekken naar tehuizen en pleeggezinnen, verenigen zich massaal. 'Het huidige beleid tast de kwaliteit van het leven van ouders en kinderen tot in de basis aan', schreef de Vereniging Ouders voor Kinderen aan de bijzondere Kamercommissie begin dit jaar.

Ook het bolwerk hulpverleningsorganisaties - 'een milieuramp op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg'- wordt op de korrel genomen door specialisten die iets van conflicten bij opvoeding weten, zoals de Nijmeegse hoogleraar in de orthopedagogiek, professor dr. J. van Acker. 'Geen concurrentie en een overheid die op eigen houtje het beleid vaststelt vormen samen de twee basisvoorwaarden voor een Oosteuropees kwaliteitsniveau.' Bij al die kritiek mag worden verondersteld dat het kind - om wie het allemaal draait - de 'lachende derde' zou zijn. Zelfs daaraan moet worden getwijfeld, getuige de toelichting van toenmalig minister van justitie Korthals Altes bij het wetsvoorstel Herziening van het strafrecht voor jeugdigen. De Bredase kinderrechter mr. P. van Teeffelen zegt hierover: 'De kinderrechter wordt niet meer gezien als een goedwillende magistraat die het beste met het kind voor heeft, maar als een overheidsfunctionaris, die bevoegdheden heeft die in strijd kunnen zijn met de belangen van het kind.' Dat komt er dus op neer, dat 'de jeugdige dus zelfs tegen de kinderrechter in bescherming moet worden genomen'.

Wat de taken van de Raad voor de Kinderbescherming zijn lijkt maar bij weinigen bekend. De eerste, de financiele, staat niet ter discussie: het nagaan en eventueel innen van een bijdrage in de kosten voor opvoeding en verzorging van kinderen na een scheiding of nadat een maatregel van kinderbescherming is uitgesproken. De kritiek richt zich op de sociale taak: zorgen voor het welzijn van het kind, waarbij al dan niet tegengestelde belangen van hem en van zijn ouder(s) of gezagsdragers tegen elkaar afgewogen dienen te worden en kunnen leiden tot rechterlijke uitspraken. Bij de afwegingen van de Raad staat het belang van het kind voorop. De Raad heeft verschillende rekestmogelijkheden bij de kinderrechter, zoals ontheffing en ontzetting uit de ouderlijke macht of - wat het meest voorkomt - onder toezichtstelling van een voogd, wiens aanwijzingen de ouders verplicht zijn op te volgen. Weliswaar is terughoudendheid de belangrijkste richtlijn voor de Raad - gezocht moet worden naar harmonieuze oplossingen zonder het op een uitspraak van de kinderrechter aan te laten komen - maar de Raad heeft anderzijds vergaande bevoegdheden, vooral waar het om klachtzaken gaat naar aanleiding van van lichte tot heel ernstige opvoedings-, verwaarlozings-, of mishandelingsproblemen. Een klacht kan al in behandeling worden genomen bij 'een vermoeden'. Ouders en kinderen kunnen zelf naar de Raad toe stappen, maar scholen of verenigingen kunnen dat ook. De Raad kan ook zelf 'aanmelder' zijn. Als de opvoedings- en verzorgingssituatie van het kind ernstig wordt bedreigd kan de kinderrechter worden gevraagd het ouderlijk gezag in te perken of te ontnemen. Gewoonlijk stelt een maatschappelijk werker eerst een onderzoek in. Minimaal drie raadsmedewerkers buigen zich vervolgens over de bevindingen en daarna volgt een advies. In dat laatste geval wordt de kinderrechter, de rechtbank of de officier van justitie er bij betrokken, afhankelijk van de maatregel die de Raad voorstaat.

De 'ondertoezichtstelling' wordt gezien als een preventieve maatregel om erger te voorkomen. De kinderrechter gaat dan over tot een inperking van het ouderlijk gezag door een gezinsvoogd aan te stellen die wordt geacht de banden weer te herstellen. Lukt dat niet, dan kan eventueel tegen de wil van de ouders een kind uit huis worden geplaatst. De uithuisplaatsing kan steeds met een jaar worden verlengd. Als de Raad van mening is dat ouders ongeschikt of onmachtig zijn hun kinderen op te voeden kan de rechter besluiten tot ontheffing. Die maatregel kan - op een enkele uitzondering na - niet worden opgelegd als de ouders zich daar tegen verzetten. De meest ingrijpende maatregel is echter de ontzetting uit de ouderlijke macht, als zij zich schuldig maken aan wangedrag. Bij ondertoezichtstelling en ontheffing is sprake van een scala van meer of minder ernstig falen van de ouders. Bij ontzetting moet sprake zijn van vrij nauwkeurig omschreven gronden. Dat ligt anders bij ondertoezichtstelling, dan moet er sprake zijn van bedreiging van het kind met 'zedelijke of lichamelijke ondergang'. Ouders die een dergelijke maatregel boven het hoofd hangt treffen een merkwaardig soort rechter aan, een 'januskop in het jeugdrecht'. Hij doet niet alleen een uitspraak op grond van wat de Raad voor de Kinderbescherming hem influistert, maar blijft daarna zeer betrokken bij de benoeming van een gezinsvoogd en de opstelling van een werkplan. Volgens Van Teeffelen vraagt de aard van de problematiek in de toekomst om gespecialiseerde kinderrechters, die flexibel zijn, van dit soort werk houden en praatpaal voor de betrokkenen willen zijn. Het moeten rechters met ervaring zijn en de baan voor minimaal zes jaar aanvaarden. Het systeem volledig overhoop gooien zou dramatisch zijn, menen hij en zijn collega's. Zeker in deze tijd, want de cijfers wijzen uit dat het niet goed gaat met het Nederlandse gezin. Na een gestage terugloop van het aantal ondertoezichtstellingen, was er in 1979 een 'dieptepunt' van 22 per 10.000 jongeren. In 1970 waren dat er nog 37. In de jaren tachtig is de lijn weer langzaam omhoog gegaan. Dat zou verband houden met de aftocht van het 'welzijnsmodel' en de opkomst van krassere maatregelen, in het jargon de 'juridiseringstendens' genoemd.