Een verslag van de kapelaan van het Noordereiland

Het Noordereiland heeft de vorm van een komkommer, is 250 meter breed en iets meer dan een kilometer lang, en vormt in Rotterdam het kruispunt van de Nieuwe Maas met de spoorverbindingen en andere bruggen over de rivier. Tussen 1870 en 1877 is 'het Eiland', zoals de bewoners het noemen, ontstaan door het graven van de Koningshaven, die eerst Noorderhaven heette, in de kop van de zuidelijke oever die hier de bocht in de rivier volgt.

In 1870 vestigden de eerste 640 bewoners zich op het Eiland, in houten keten bij de Noorderhaven; ze kwamen uit Zeeland, van de Zuidhollandse eilanden en uit Brabant, om havens en bruggen aan te leggen. Met de aanleg van de eerste spoorbrug, een draaibrug die later plaatsmaakte voor 'de Hef', werd al begonnen voor de Noorderhaven voltooid was. In 1876 werd de spoorbrug doorgetrokken over de Nieuwe Maas, in 1877 werd de Noord-Zuidspoorverbinding in exploitatie genomen. De Koninginnebrug (1876) en de Willemsbrug (1878) zorgden, parallel met de spoorbruggen, voor de verkeersverbinding tussen beide rivieroevers, dwars over het Eiland heen. De verkaveling en de woningbouw op het Eiland kwamen langzaam op gang, vooral na het bankroet van de Rotterdamse Handels Vereniging van Lodewijk Pincoff. Pincoff was de motor achter deze ontwikkelingen, waar veel wisselruiterij aan te pas kwam, en had in 1879 de wijk genomen.

Pas aan het eind van de eeuw was het eiland volgebouwd en had toen meteen ook de tegenwoordige vorm en het huidige aanzien gekregen. In 1899 woonden er 8.695 mensen. Het was een besloten gemeenschap, met veel mensen uit Zeeland, van de Zuidhollandse eilanden en uit Brabant, en dat bleef zo. De bewoners hadden aan het begin van deze eeuw bijna uitsluitend met de binnenvaart en zeescheepvaart te maken. De katholieken kerkten aan de oneven noordzijde van de Prins Hendriklaan in de parochiekerk van OLV van Lourdes, de gereformeerden er recht tegenover.

Weinig bekend is hoe het Noordereiland in de meidagen van 1940 in de vuurlijn terecht kwam en de bevolking van 13.000 zielen er vijf dagen werd gegijzeld door de Duitsers. Een tactische operatie, die de weg moest vrijmaken voor een pantserdivisie, die door de Langstraat optrok, richtte zich in de vroege morgen van vrijdag 10 mei, behalve op de Moerdijkbruggen, ook op de Maasbruggen, dus vooral op het bij uitstek strategisch gesitueerde Noordereiland.

Eveneens had het gevecht om het vliegveld Waalhaven plaats, met de bedoeling dat de pantserdivisie en de troepen die op het vliegveld landden, zich later bijeen zouden voegen. Ongeveer 150 Duitsers, met watervliegtuigen om 4.55 uur bij de Maasbruggen neergestreken, nestelden zich op de bruggehoofden aan de Boompjes, op de noordelijke rivieroever, en op het Noordereiland, weldra versterkt door 50 parachutisten die om 5.00 uur bij het stadion Feijenoord waren gedaald; verdere versterking kwam wat later door een bataljon infanteristen uit de richting van het vliegveld. Het Noordereiland was in Duitse handen.

Verslag

Een van de twee kapelaans van de parochiekerk OLV van Lourdes aan de Prins Hendriklaan, N. A. Commandeur, voltooide in augustus 1940 een verslag van 32 dichtgetikte pagina's van de gebeurtenissen op het eiland. Dat verslag, dat voor zover ik kon nagaan nooit in druk is verschenen, kwam ongeveer een jaar geleden via een in Rotterdamse zaken gespecialiseerd antiquariaat in mijn bezit. Ik zal er, voor zover mogelijk in kort bestek, uitvoerig uit citeren, en daarbij vooral aandacht besteden aan gebeurtenissen die men in de andere, schaarse literatuur over het gegijzelde Eiland niet aantreft. Die vrijdag werd de kapelaan om 4.15 uur door zware klappen, waarschijnlijk van het bombardement van het vliegveld Waalhaven, wakker. Om 4.30 uur (schrijft hij) stond hij op de Maaskade naar het aan land gaan van Duitse militairen te kijken. Een agent, Hordijk, die vanaf de Maasbrug op de Duitsers schoot, werd neergeschoten. 'Andere agenten werden direct opgesloten in het drijvend zwembad dat in de rivier lag, waarin zij dagenlang gevangen hebben gezeten, terwijl het van alle kanten met kogels doorzeefd werd, totdat het eindelijk zonk en zij met groot levensgevaar werden gered.'

De mensen werden in hun huizen gestuurd. Op de tegenover gelegen oever verschenen omstreeks 5.30 uur Hollandse Wielrijders, en het schieten over en weer begon; in de loop van de dag zou het in hevigheid toenemen. De oorlogsbodem Jan van Galen mengde zich in de strijd en de eerste gevels aan de Maaskade begaven het. Kogels vanaf de overkant floten door de zijstraten, men waagde zich alleen nog in de binnenstraten, en de mensen kropen in hun kelders weg. 's Avonds was er een boetelof in de Lourdeskapel, die deel uitmaakte van de kerk, bij het licht van Mariakaarsen, omdat halverwege het elektrische licht uitviel. De nacht was rustig.

Pinksterzaterdag, 11 mei, begon in betrekkelijke rust. Bij het celebreren van de missen werden de geestelijken slechts gestoord door het gebulder van een kanon, dat in de 'Laan', onbereikbaar voor het vuur van de overzijde, voor de kerk was gezet. In de 'Laan' lag een hakenkruisvlag op de grond. Voor de pastorie stopte een auto met officieren, die zich met de vlag als een haas uit de voeten maakten, toen het Hollandse vliegtuig overvloog, dat van Oost naar West vijf bommen in de as van het Eiland wierp. 'De uitwerking was verschrikkelijk. Behalve de panden die meteen door een voltreffer met de grond werden gelijk gemaakt, werd bij ons de Maaskade in een slag onbewoonbaar.'

De angst was nog groter dan de verbijstering. Als de nabij gelegen zuurstoffabriek was geraakt, die vol gevulde flessen stond, was het hele Eiland in de lucht gevlogen. Die angst bleef overigens, dagen lang. Weliswaar liet de fabrikant, Weller, op een overigens onbekend tijdstip de flessen leeglopen; maar dat was pas op maandag 13 mei bekend. Tot die tijd: angst. In de buurt bevond zich ook, over brandgevaar gesproken, drukkerij 'De Maas', met grote papiervoorraden.

In het verslag van de kapelaan is nu sprake van artillerievuur, dat de volgende dagen zal voortduren. Hoe dat nu in elkaar zat, kan men nalezen in de verslagen van de Parlementaire Enquetecommissie Regeringsbeleid 1940-1945, onder andere deel 1 + B, blz. 136 e.v., en deel 1 C, nrs. 10764, 10737, 10785 en 10795. De artillerie was eerst gesitueerd in Hillegersberg, later aan de Kralingse Plas (locaties aan de noordoost-rand van Rotterdam), en in de verslagen en verhoren spreekt men enkel over vuur op het vliegveld Waalhaven; maar het Noordereiland lag toevallig wel in de vuurlijn.

Enkele citaten. De voorzitter: 'In het Overzicht van de krijgsverrichtingen van de Koninklijke Landmacht staat, dat zij helaas (sic!) niet op het Noordereiland heeft gevuurd.' Kapitein J. D. Backer: 'Dat is fout in het Overzicht. Zij hebben vanaf het ogenblik, dat ze in stelling kwamen, dat was vrijdag 10 uur 's morgens, vuur afgegeven op Waalhaven. Bij de aanvallen, die gedaan zijn om zich meester te maken van dat bruggehoofd (...) hebben wij inderdaad vuur laten leggen op de toegangen tot de bruggen.'

(Deel 1 C, nr. 10764). Het gaat hier om de vergeefse aanvallen door dienstplichtigen (zondagmorgen, 12 mei) en mariniers (maandagmorgen, 13 mei) op de Maasbruggen. Het was moeilijk om vuur te leggen op de toegang tot de bruggen, lezen we nog, omdat het verdragende geschut (18 km) niet berekend was op deze operatie (3 km). We zullen nog zien wat het voor het Eiland betekende.

Terug naar de pinksterzaterdag, 11 mei. Ontreddering aan de Maaskade. Bewoners van de buitenste ring vluchtten naar de binnenste ring. De parochiegebouwen werden een evacuatie-oord. In de kelder van de kerk deelde de kapelaan miraculeuze medailles uit aan katholieken en niet-katholieken. De westpunt van het Eiland stond in brand; aan de overkant van de rivier, ook de Boompjes; kogels floten door de straten, er vielen enige doden.'s Avonds kregen de geestelijken het consigne dat ook de kerk en pastorie moesten worden verlaten in verband met brandgevaar. Men vluchtte naar een school en jeugdhuis aan de overzijde van 'de Laan'. Toen het daar ook gevaarlijk werd, werd een gedeelte van de mensen ingekwartierd aan de zuidelijke Prins Hendrikkade van het Eiland. De geestelijken hadden inmiddels 'Ons Heer', de sacramenten, in veiligheid gebracht. 'Overbrenging naar een ander heiligdom was onmogelijk, dus de enige oplossing was de nuttiging.'

Aan de overzijde van 'de Laan' werd in het jeugdhuis aan enige goede katholieken de H. Communie uitgereikt. Men ging er in tranen van uit dat het wellicht de laatste zou zijn.

Pinksterzondag 12 mei, het feest van de Heilige Geest, en het begin van de Tweede Pinksterdag, maandag 13 mei, slaan we nu over. Geen melding in het verslag van de kapelaan over de aanvallen op de Maasbruggen van die dagen, wel van onophoudelijk schieten over en weer met geweren en kanonnen. Op het Eiland verwachtte men het ergste.

Opzetje

In de middag van maandag, 13 mei, meldden de kapelaan en de heer Van der Mast zich bij de Duitse commandant Von Choltitz. Van der Mast was een beambte van het nabijgelegen meteorologisch instituut in het Poortgebouw op Rotterdam-Zuid, tevens een persoonlijke kennis van de commandant kolonel Scharroo van Rotterdam; voor het volgende bepaald niet onbelangrijk.

In gesprekken op straat waren de kapelaan en de heer Van der Mast door een niet nader genoemde Feldwebel, die hun vertrouwen had gewonnen, aangespoord om als parlementariers eens met beide commandanten over het sparen van het Eiland te gaan praten. Voor Scharroo had dat capitulatie betekend (Scharroo zal weigeren), voor Von Choltitz evacuatie van het Eiland (werd ook geweigerd, behalve voor 'alle kinderen en tien vrouwen' via de achteruitgang van het Eiland naar Rotterdam-Zuid). Achteraf bezien lijkt het op een opzetje via een wel zeer gearticuleerde Feldwebel, of wat dat dan ook geweest mag zijn, en zo werd het kennelijk ook begrepen op de noordelijke oever. Lees daarvoor, vooral tussen de regels door, de verslagen en verhoren van de Parlementaire Enquetecommissie, deel 1 A+B, blz. 138, en deel 1 C, nr. 10795 e.v.

De kapelaan en de heer Van der Mast begaven zich, voorzien van een witte vlag en een vrijgeleide ('n stuk papier) over de Willemsbrug naar de Nationale Verzekeringsbank (nu staat er het Nedlloyd-gebouw 'Willemswerf', in de volksmond 'de glijbaan'), die net als de brug in Duitse handen was. Na hallucinerende avonturen bereikten ze het hoofdkwartier van kolonel Scharroo in Blijdorp. Het merkwaardigste was misschien nog wel, dat bij het passeren van de Hoogstraat, nog geen kilometer van het Noordereiland, de stadgenoten liepen te flaneren alsof er geen oorlog aan de gang was, op deze vrije tweede pinksterdag.

Scharroo wenste de heren niet te ontvangen, maar liet dat over aan zijn tweede man kapitein Backer, hier al eerder opgevoerd als getuige voor de parlementaire enquetecommissie, die deed of zijn neus bloedde, en de heren zorgvuldig uithoorde. Vervolgens kreeg deze delegatie nul op request. Geen sprake van overgave. En of de heren het maar uit hun hoofd wilden laten om bij de terugtocht naar het eiland een witte vlag of zelfs maar een witte zakdoek te laten zien, want dan zouden zij onmiddellijk worden omgelegd. Zulke attributen waren voorbehouden aan officiele parlementariers, die namens het leger kwamen, volgens het internationaal recht; maar niet aan burgers.

Scharroo was even formeel als de volgende dag, toen hij na overleg met de hoogste legerleiding, het niet ondertekende ultimatum van de ochtend naar de Duitsers terugstuurde. Waarschijnlijk kon hij ook niet anders.

De kapelaan en Van der Mast hadden van 14.30 uur tot 18.30 uur de tijd gekregen om de stad tot overgave te bewegen; daarna zou een vernietigende aanval worden ingezet. Met lood in de schoenen en knikkende knieen staken ze de brug weer over, bang om door Duitsers neergeschoten te worden, die rekenden op een witte vlag bij hun terugkeer (zie ook Aad Wagenaar, Rotterdam Mei '40; Utrecht, 1990). Het viel de kapelaan bij hun terugkomst op dat nu ook de oostpunt van het eiland in brand stond. De artillerie van de overkant had zijn werk gedaan. Von Choltitz leek niet eens verbaasd dat de overgave was afgewezen. De toegezegde vernietigende aanval op de stad bleef voorlopig nog even uit.

Bombardement

De rest van dit verhaal is snel verteld. Op dinsdag 14 mei werden de vrouwen en kinderen van het van links en rechts gebombardeerde eiland geevacueerd. Daarna volgde het bombardement dat de binnenstad van Rotterdam wegveegde. De kapelaan beklimt een hoog dak, en bekijkt 'het meest schokkende feit van de eeuw, de geweldigste brand uit de wereldgeschiedenis'.

Maar eigenlijk is hij ook een beetje gelukkig. Want zijn Eiland is, tegen alle verwachtingen in, gespaard gebleven.

Op pinksterzondag 12 mei stond de kapelaan in zijn afgebrande kerk. Maar de Lourdeskapel, waar eigenlijk zijn hart naar uitging, was gespaard gebleven. De kapelaan zag daarin een teken, ook al omdat de bevolking op zijn Eiland gespaard was gebleven. Kapelaan Commandeur overleed op 6 januari 1989. Het Mariabeeld uit de Lourdeskapel bevindt zich in de kerk aan de Stieltjesstraat 14c (Rotterdam-Zuid). Er worden, zo is me van bevoegde zijde medegedeeld, nog erg veel kaarsjes voor gebrand.