De culturele wedergeboorte van Rotterdam

Anders dan in voorgaande jaren, leggen de media de laatste tijd een warme belangstelling aan de dag voor Rotterdam. Een halve eeuw na het bombardement voelt elke omroep, elk dag- en weekblad, ja elke buurtkrant zich geroepen te bewijzen dat men de stad welgezind is. Deze hausse roept herinneringen op aan de periode na de bevrijding, toen de wederopbouw van Rotterdam volop aandacht kreeg als een symbool van het herstel van Nederland. Typerend voor die benadering was de film Houen zo van Herman van der Horst: een ode aan Rotterdamse onverzettelijkheid, waarin havenarbeiders en heiers de basis legden voor wat toen bekend stond als een betere toekomst. Iets van deze sfeer is terug te vinden in Het hart van Rotterdam van Jan Venema, dat de NOS vanavond uitzendt als opmaat tot het herdenkingsconcert door het Rotterdams Philharmonisch Orkest. De snorkerige tekst in het begeleidende stencil doet het ergste vrezen. 'Uit alle ellende van de verwoesting', zo staat er, 'ontstond ook een saamhorigheid, die je de 'Rotterdamse mentaliteit' zou kunnen noemen.'

Dit in aanmerking nemende, kan men de brand van Rotterdam zien als 'een reinigend vuur' dat, aldus de toelichting, een renaissance mogelijk maakte. Onder deze topzware filosofie had het project makkelijk kunnen bezwijken, maar gelukkig beperkte Venema zich in de praktijk tot het maken van een cultureel portret van een stad, die ook op dit vlak van voren af aan moest beginnen.

Bij wijze van introductie (die voor de uitzending overigens nog zou worden ingekort) schetst hij treffend het vooroorlogse Rotterdam, dat letterlijk werd overheerst door zijn haven: in een panoramisch overzicht van de binnenstad torent een schip van de Holland-Amerika Lijn boven alles uit. Al even duidelijk waren in die jaren de maatschappelijke verschillen. De werkende stand kende zijn plaats en zwoegde zichtbaar; de bovenlaag had na de arbeid nog tijd voor een concert of een bezoek aan museum Boymans, dat bij zijn opening in 1935 volstroomde met zwartgerokte heren.

Nadat de bommen waren gevallen - in de film aangegeven door het befaamde schilderij van Chabot - was de scheidslijn tussen de Rotterdamse rangen en standen minder scherp te trekken. Ieder moest er maar het beste van maken en voor allen gold, zoals Jules Deelder opmerkt, dat er 'niks' meer was: 'alleen een gat'.

Wie hier niets had te 'verhapstukken', aldus Deelder, ging weg. Er waren aanvankelijk maar weinig lichtpunten: in een verbouwde garderobe werd een galerie ingericht en er kwamen, dank zij particulier initiatief, nogal wat standbeelden. Bovendien bouwde men met de stenen van de verwoeste stad een (inmiddels afgebroken) nieuwe schouwburg, maar acteurs wilden er slechts optreden als zij 'puingeld' kregen uitbetaald.

Desondanks ontstond hier in de loop van de tijd een kunstwereld die levendiger was dan de bewoners van de Amsterdamse grachtengordel voor mogelijk hielden. Dit kleine wonder is vooral te danken aan het, achteraf onbegrijpelijke, optimisme van figuren als Willy Hofman, Adriaan van der Staay, Corrie Hartong en Fred van der Hilst, die van Venema de eer krijgen die hun toekomt. Zij allen vertegenwoordigen de Rotterdamse mentaliteit, die Deelder als geen ander onder woorden brengt: 'Rechtuit zonder omwegen zeggen waar het op staat.' Ook Jan Venema, zelf een Amsterdammer, heeft zich die kunst eigen gemaakt. De komende tijd, zegt hij, zal Europa drie grote cultuurcentra tellen: Barcelona, het verenigde Berlijn en Rotterdam. Een dergelijke voorspelling is typerend voor de stad waarin hij de afgelopen maanden 'verliefd' rondliep: het mooiste moet altijd nog komen. Het hart van Rotterdam. Ned.3, 19.35-20.20 uur.