14 MEI: WOEDE OP AFSTAND

In de serie over de meidagen van 1940 beschrijft P. Schumacher, redacteur van NRC Handelsblad, vandaag hoe de gebeurtenissen werden beleefd in Nederlands Indie.

Vanaf vrijdagmiddag 10 mei staat in praktisch alle Indische huiskamers de hele dag de radio aan om naar het oorlogsnieuws uit Nederland te luisteren. De kranten komen met extra edities. Ze worden gespeld. Naast oorlogsnieuws brengen ze ook uitgebreide verslagen van de massale arrestaties van Duitsers, NSB'ers en andere 'verdachte elementen' in Indie zelf. De eerste dagen lijkt het dat 'onze jongens' prima stand houden tegen de Duitse invasiemacht. Maar de ongerustheid over het lot van familieleden in Holland neemt toe. Anderen kennen Holland slechts uit verhalen en schoolboekjes, maar hun aanhankelijkheid aan koningin en vaderland is er niet minder om.

Vrijdag omstreeks het middaguur zijn in Batavia de eerste berichten ontvangen over Duitse troepen die Nederland zijn binnengevallen. De situatie is aanvankelijk nog onduidelijk, de berichten zijn schaars en verwarrend. De radionieuws-bulletins van de Nederlandsch-Indische Radio-omroep (Nirom) maken vanaf een uur 's middags gewag van 'nog onbevestigde berichten'; op kranteredacties wordt druk overlegd. Is er echt sprake van een invasie, of van een flink grensincident? Moet er een extra editie komen? Om half drie besluit de hoofdredactie van De Java-Bode twee extra edities uit te geven. Onder de titel Extra Blad komen De Java-Bode en Het Nieuwsch van den Dag voor Nederlandsch-Indie gezamenlijk met een speciale uitgave. De Java-Bode stopt de persen en maakte een volledig nieuwe voorpagina onder de grote kop: INVAL IN HOLLAND, met als onderkoppen:Duitsche troepen over de Nederlandsche grens en Staat van beleg in Indie. Ook een oproep van de Indische autoriteiten: Volle medewerking en volstrekte gehoorzaamheid verwacht. Blijft aan den arbeid!Extra Blad kiest als openingskop: IN OORLOG MET DUITSCHLAND, met als onderkoppen: Schandelijke motieven van Duitsche inval en Een vlammend protest! Een flink stuk van pagina 3 is ingeruimd voor een beschrijving van de discussie ter redactie, die leidde tot het maken van deze extra editie. Verder meldt het blad op een binnenpagina al de eerste arrestaties onder de Duitsers in Indie en foto's daarvan.

Dit op grote schaal arresteren en interneren van Duitsers en NSB'ers en het in beslag nemen van Duitse schepen - in totaal achttien - zijn de enige daden van betekenis die men in Indie kan stellen om het overrompelde vaderland bij te staan. Van veel Europeanen, en zeker van hen die familie hadden in Nederland, maakt zich een machteloze woede meester. Als de politie niet snel genoeg een clubgebouw van de Deutscher Verein of van de NSB sluit, vallen burgers er binnen en slaan de boel kort en klein. De kranten schrijven er over onder koppen als 'Hoe men in Indie op het verraad reageerde'. Ze keuren deze daden niet af. Integendeel. In een toch gerespecteerd blad als De Java-Bode beperkt men zich in redactionele kolommen niet slechts tot de feiten. In een lang bericht over arrestaties op talloze plaatsen in de Archipel lezen we in de editie van 11 mei de volgende alinea's: Justitie en politie zijn den geheelen nacht in de weer geweest om de razzia, welke men onder deze ongure individuen vandaag heeft beeindigd, voor te bereiden. Ze hebben gisteren met flinken vuistslag toegeslagen en de klappen, die vandaag zullen vallen, zijn niet minder zwaar. (...) Namen, die voor gisteren met eenig respect genoemd werden - onverdiend moeten wij zeggen - worden thans met minachting uitgesproken. Het zijn er helaas meer dan wij gedacht hebben en wij schromen niet ze te publiceren. Het zijn NSB'ers meest van hen, sommigen van wie wij het niet gedacht hebben, dat zij zulke landverraderlijke neigingen koesterden: oud-majoor Rhemrev, ir. Weber, dr. Schoonheyt (havenarts), hoofdcommissaris van politie Piepers.

Sjoerd Lapre, ridder Militaire Willemsorde, dient in mei 1940 als piepjonge reserve 2de luitenant bij een Veldbataljon in Bandung. 'Ik weet nog precies hoe en waar ik hoorde dat Nederland was aangevallen door nazi-Duitsland. We hielden schietoefeningen. Die oefening werd onmiddellijk afgelast. We waren verbijsterd. We konden ons absoluut niet voorstellen dat Duitsland, Hitler dus, tegen zo'n krachtige koningin als Wilhelmina, nota bene staatshoofd van een neutraal land, een oorlog zou beginnen. Onmiddellijk werden bepaalde eenheden gevormd om NSB-ers en Duitsers te arresteren. Er heerste bij ons een sterk gevoel dat er in Idie een gevaarlijk pro-Duitse Vijfde Kolonne bestond. Daarom waren we nogal fel. In het kader van de afgekondigde verhoogde paraatheid van de Indische weermacht werden er zogeheten Vrijwillige Oefen Corpsen (VOC's) gevormd. Europese vrouwen konden opgeleid worden voor bus- en vrachtwagenchauffeur, of ze konden bij een vrouwenhulporganisatie, die Covim heette.' In De Java-Bode wordt gepleit om bij de arrestaties van Duitsers een uitzondering te maken voor Duitse en Oostenrijkse joden die waren gevlucht voor de nazi's en voor 'Indische jongens' met een Duitse grootvader, die vergeten waren hun Duitse nationaliteit af te zweren. De Duitse nationaliteit van deze mensen werd door nazi-Duitsland niet eens erkend! Een mooi voorbeeld was de populaire bokser Fighting Mieck. Hij werd ingerekend want hij bleek Duitser te zijn. Hij heette voluit: Hugo Mieck Freiherr von Rosenthal bis und zum Rosenthal. Hij heeft maar kort op Onrust vastgezeten en werd vervolgens ingelijfd in het Indische leger, het KNIL. Mr. I. Samkalden, toen aspirant-controleur Binnenlands Bestuur ter beschikking van de resident van Surabaya en later in Nederland minister van justitie en burgemeester van Amsterdam, was als jurist nauw betrokken bij de arrestaties. Hij heeft een aantal van die djermans, zoals de Indische kinderen met Duitse vaders werden genoemd, vrijgelaten. 'Die vaders', herinnert Samkalden zich, 'waren in veel gevallen soldaat geweest in de Eerste Wereldoorlog. Na de verschrikkingen aan het front wilden ze weg uit Europa. Zij maakten gebruik van de mogelijkheid in Indie weer aan de slag te komen. Sommigen kwamen bij de veldpolitie, trouwden een inlandse vrouw en woonden in de kampong. Hun zoons waren officieel Duits staatsburger en dus in mei '40 'opgehaald'. Ik trof in die kampen djermans aan die geen Duits, geen Nederlands, geen Maleis, maar alleen Madoerees of Soendanees spraken. Ze begrepen absoluut niet wat er aan de hand was. Die lieten we vrij, hun vaders niet.' Voor Samkalden kwam de aanval van de Duitsers op Nederland niet onverwacht. 'Ik denk', zegt hij in tegenstelling tot Lapre, 'dat wij er in Indie minder vanuit gingen dat Nederland door zijn neutraliteitspolitiek buiten de oorlog kon blijven dan in Nederland. Als jurist was ik in Surabaya mede belast met het arresteren van Duitsers. Ik weet nog dat vrij veel Duitsers, die zelf zaken hadden, dachten dat zodra Nederland zich had overgegeven er wel een regeling zou komen, die leidde tot hun vrijlating. Maar zo ging het niet. Wij bleven die mensen vasthouden en als reactie zijn toen in Nederland een groot aantal Indische verlofgangers door de Duitsers in een speciaal kamp in Duitsland opgesloten.' Volgens Samkalden bestond er bij de autoriteiten het consigne om de oorlogssfeer niet te veel op te voeren uit vrees daarmee de Indonesische nationalisten te prikkelen.

De Java-Bode van zaterdag 11 mei opent met de kop: Tegen het Duitsche Beest tot het Bitter Einde en brengt verder berichten over 'duidelijke sympathie der inheemsche bevolking' en 'groote inzamelactie van het Roode Kruis voor het Moederland'. De bioscopen blijven in die dagen praktisch leeg, zo meldt de krant. Het bekende cafe-restaurant Capitol in Batavia adverteert: In verband met de tijdsomstandigheden geen muziek. In het Restaurant en op het Terras zullen radiotoestellen aanwezig zijn, teneinde onze bezoekers op de hoogte te houden der gebeurtenissen. Philipstoestellen welwillend afgestaan door de Revimij.

Op de 10de mei is al meteen de oorlogstoestand en een gedeeltelijke mobilisatie afgekondigd, maar wat die nu precies inhielden blijkt niet voor iedereen even duidelijk. De op zaterdag verschijnende extra editie van de Indische staatscourant, De Javasche Courant, biedt evenmin enige ambtelijke helderheid. Deze bevat een verordening van de legercommandant, 'houdende regelen, in het bijzonder, teneinde te verhinderen, dat het rechtsverkeer in oorlogstijd schade toebrengt aan de belangen van het Koninkrijk der Nederlanden en Nederlandsch-Indie'.

Chris de Bruin in Den Haag was indertijd controleur Binnenlands Bestuur in Buitenzorg, thans Bogor, en direct betrokken bij de arrestatie van Duitsers en NSB'ers. 'Ja, ik herinner me, dat ging vrij fel. Van veel NSB'ers die we moesten oppakken wist ik weliswaar dat ze rechts waren, bijvoorbeeld lid van de Vaderlandsche Club, maar zeker niet anti-Nederlands of antisemitisch. Hoewel ik een aantal van hun denkbeelden, die meer te maken hadden met de positie van Indie ten opzichte van het bestuur in Den Haag, wel kon begrijpen, heb ikzelf nooit overwogen lid te worden van de NSB. Dat kwam ook omdat ik nog niet zo lang daarvoor uit Nederland was terugggekomen en van nabij de activiteiten van de Nederlandse NSB had gezien.

Veel Nederlanders die in Indie bij de NSB gingen hadden geen idee dat zij zich bij een 'landverraderlijke' beweging hadden aangesloten. Ik had vaak meelij met bepaalde mensen die we moesten meenemen, maar vanuit mijn bescheiden positie kon ik daar niets aan doen. Wij hadden de opdracht die arrestaties strikt door te voeren.' Rene Schafer uit Amstelveen, toen 16 jaar en wonende in Batavia, herinnert zich: 'Ik weet van een gezin van een Duitse vader, van wie een paar zoons hun Duitse nationaliteit hadden opgegeven en statenloos waren geworden en andere zoons die dat niet hadden gedaan, vermoedelijk omdat ze het te veel moeite vonden. De laatsten werden vastgezet. Wij hadden een Duitse huisarts, dr. Mengert, een heel aardige man. We keken er wel van op toen bij hem thuis een radio-zendinstallatie werd aangetroffen. Van de reacties van Indonesische zijde herinner ik me nog een belangrijke toespraak van de gematigde nationalist en moslimleider Hadji Agu Salim, die alle steun toezegde voor het bezette Nederland.'

Dat door spontane acties van particulieren de zaak hier en daar uit de hand loopt, blijkt ook uit het bericht dat verschijnt onder de kop 'Schadelijke ijver bij het opsporen van Duitschers', in Het Ochtendblad, een gezamenlijke nooduitgave van de Preangerbode, Java-Bode en Nieuwsch van den Dag, van maandag 13 mei (Tweede Pinksterdag): 'Wij ontvingen van officiele zijde het verzoek om hetvolgende bekend te maken: Door de autoriteiten wordt het zeer op prijs gesteld, dat de burgerij bij het opsporen van Duitschers, die nog niet zijn geinterneerd, hulp verleent. Ook hierbij dient echter in het oog gehouden te worden, dat verschillende goede Nederlandsche staatsburgers, die echter een Duitsch klinkende naam hebben, overlast ondervonden hebben, niet alleen van de overmatigen ijver van hen die trachten de overheid behulpzaam te zijn, maar ook door onaangenaam en beledigend optreden van de zijde van medeburgers. De autoriteiten verzoeken derhalve met nadruk om er voortdurend rekening mee te houden, dat niet iedereen, die een Duitsch klinkenden naam heeft Duitscher is en evenmin iedereen, die Duitsch spreekt. Onder de vreemdelingen, die zich in het verkeer met Nederlanders van het Duitsch bedienen, bevinden zich namelijk tegenwoordig bv. ook vele Amerikaansche burgers'.

Een van die personen die het moeilijk kregen was een joodse vrouw uit Wenen, die in Makassar in huis woonde bij Margareta Ferguson, die later bekend werd als schrijfster. 'Zij sprak', weet de toen net getrouwde Ferguson nog, 'met een zwaar Duits accent en dat leidde nog wel eens tot vervelende en kritische opmerkingen. Trouwens, ik heb mij van begin af aan grenzeloos geergerd aan die blinde anti-Duitse hetze. Toch had ik voor mijn trouwen gewerkt bij een Duitse importfirma, waar ik als overtuigd anti-fascist - dat had ik van mijn ouders meegekregen - regelmatig felle debatten met die mensen voerde, ondermeer over de jodenvervolging. Tegelijkertijd was mij die sfeer van opgehitste vaderlandsliefde ook een vreselijke doorn in het oog. Dat weerhield mij er echter niet van om in Makassar te collecteren voor het Rode Kruis. Ik had de hoogste opbrengst. '

Een man die van meet af aan in de gaten heeft dat de internering van Duitsers en NSB'ers in Indie veel onrechtvaardigs bevat is Cees van Heekeren. Hij zal er later een boek over schrijven: Batavia seint BERLIJN, de geschiedenis van de Indische Duitsers in Nederlandse gevangenschap. BERLIJN was het code-woord dat naar Indie zou worden geseind als de Duitsers zouden binnenvallen. Overal liggen gedetailleerde plannen klaar wie er waar gearresteerd en vervolgens geinterneerd moet worden. Van Heekeren beschrijft hoe hij, 28 jaar oud, als aspirant-controleur op Sumatra 'zijn' Duitser, een bejaarde zendeling in de bergen, moet ophalen. Gelukkig, zo schrijft hij, hing er in zijn woning een groot portret van Hitler, dus kon hij de arrestatie 'zakelijk afhandelen'.

Van Heekeren beschrijft de omstandigheden waaronder in die mei-dagen verscheidene Duitsers worden opgehaald. Het meest aangrijpende deel van zijn boek gaat echter over een latere episode: hoe de Duitsers zijn behandeld en hoe velen omkwamen bij de torpedering van het schip, de Van Imhoff, dat hen naar Brits-Indie (nu India) vervoerde. Er was strikte opdracht de luiken, waaronder de Duitsers waren ondergebracht, niet te openen als het schip zou zinken. 'Zoals u weet werden alleen Duitse mannen van 16 jaar en ouder geinterneerd, maar de Duitse vrouwen, die overigens zonder middelen achterbleven, werden ook scherp in de gaten gehouden. Zo herinner ik me een geval van een Duitse vrouw van een gearresteerde Duitse zendeling die in een gesprek over de rol van de Engelsen in de oorlog had gezegd, dat zij toch alleen maar deden wat in hun eigen belang was. Die opmerking was genoeg om haar ook te arresteren.'

De geoliede manier waarop in snel tempo alle Duitsers en NSB'ers worden ingerekend is voor het Extra Blad van 13 mei aanleiding met enige trots te schrijven: Wie zich wellicht verbaasd heeft over de bijkans feilloze wijze, waarop ook te Batavia de interneeringen zijn verloopen, zal dat niet behoeven te doen als hij weet, dat alles door de politie haarfijn was 'ingestudeerd'. Twee nachten voordat het noodig bleek aldus in te grijpen, had de politie nog 'generale repetitie' gehouden. Iedere politieman sectiegewijs, had de namen en adressen van degene, die hij voor zijn rekening moest nemen, en dien nacht hebben de ingedeelde politiemannen nog een kijkje genomen ter plaatse, teneinde volkomen op de hoogte te zijn van de plaatselijke omstandigheden!

Inmiddels proberen de kranten de strijd tegen de Duitsers niet te fatalistisch voor te stellen. Extra Blad 13 mei: Sterk Tegenoffensief, maar Het Ochtendblad meldt al de val van Arnhem en Maastricht. De volgende dag echter blaakt dit blad weer van optimisme onder de kop: De Situatie Meester! Java-Bode van 14 mei: Grote Veldslag Begonnen, met als onderkop: Nederlanders bieden prachtig weerstand. Op de 15de is het voor Het Ochtendblad voorbij als het opent met de kop: Strijd Gestaakt. De Java-Bode ziet nog hoop met koppen als: Nog steeds in oorlog!; Grootste slag der historie; Hevige aanvallen, doch krachtige weerstand en: Uiterste poging tot doorbraak van de geallieerde posities. Met daarnaast de toespraak van de gouverneur-generaal, die toegeeft dat Nederland, op Zeeland na, nu bezet is. Hij eindigt zijn speech met: 'Geen ontmoediging, medeburgers, maar vastberaden werkzaamheid'.

Pas op de 20ste mei meldt De Java-Bode: Rotterdam Verwoest 100.000 doden. Dr. P. J. Koets in Ellemeet, indertijd werkzaam op het Departement van Onderwijs en Erediensten in Batavia en later, na terugkeer in Nederland, hoofdredacteur van Het Parool en acht jaar lang loco-burgemeester van Amsterdam: 'Ik weet nog dat een dag na de inval mijn broer, die elders in Indie zat, me opbelde en zei: 'Wat houden ze zich goed, he'. Maar toen ik hoorde dat de Peel-stelling was doorbroken en dat de Duitsers in de Langstraat (Noord-Brabant) stonden, schrok ik erg. En toen een paar dagen later Rotterdam zwaar werd gebombardeerd, veroorzaakte dat bij ons een verdovende schok, immers de ouders van mijn vrouw woonden daar.'

Koets herinnert zich dat de Indonesiers die hij kende, in hoofdzaak ontwikkelde en gestudeerde mensen, erg meeleefden met wat er in Holland gebeurde. 'Wat hen, vanuit hun cultuur gezien, vooral aansprak, was het feit dat wij en vele Nederlanders met ons, nu geen contact meer hadden met onze ouders.'

Wat Koets nogal irriteerde was dat Nederland, dat zo'n strikte neutraliteitspolitiek volgde, nu opeens een beroep om hulp deed op de hele wereld. Over de manier waarop Duitsers en NSB'ers, niet zelden in geblindeerde treinen, werden afgevoerd, merkt Koets op dat de wijze waarop dat gebeurde 'niet uitmuntte door een humanitair-sociale menslievendheid'. De Indonesier S. Sosrosuwarno uit Hilversum hoorde het nieuws van de Duitse inval van zijn Nederlandse leraren op de gouvernements-MULO in Solo (Soerakarta, Midden-Java). Hij was 15 jaar.

'Ze waren woedend. Het vak Duits werd meteen afgeschaft, hetgeen wij zeer betreurden, want de Duitse lerares was buitengewoon aantrekkelijk. Bij ons, de school had merendeels Indonesische leerlingen, heerste een gevoel van ongeloof. We gingen veel naar de bioscoop en zagen dan op het Polygoon-journaal hoe Nederland zich verdedigde door middel van de Gelderse Waterlinie en zo. En dan in vijf dagen weg! Ik had vrij regelmatig contact met prinsen van het Solose hof die in Nederland op school hadden gezeten en Hollanders hadden meegemaakt in hun eigen omgeving. Zij reageerden na het horen van de snelle nederlaag eigenlijk maar met een woord: hybris, dat zo veel betekent als hoogmoed. Ja, er was onder deze mensen hier en daar ook wel sprake van wat leedvermaak.' F. J. Suyderhoud uit Maassluis woonde in mei 1940 ook in Solo. 'Ik had veel contact met de gewone Indonesier. Toen na vijf dagen vast stond dat Nederland capituleerde, bleek dit een behoorlijke klap voor hen. Het machtige Nederland zo van de kaart geveegd. Het vertrouwen was geschonden.'

Suyderhoud maakt gewag van nog een tegenvaller: 'Er ontstond in die dagen een kleine paniek, omdat de mensen zich realiseerden dat er nu geen jenever meer kon worden aangevoerd uit Nederland. Tot onze grote opluchting vernamen wij na een tijdje dat er ook een jeneverfabriek stond in Argentinie. De aanvoer daar vandaan kwam gelukkig snel op gang.' Terwijl honderden Duitsers en NSB'ers worden opgesloten, onder meer op het eiland Onrust in de baai van Batavia en in een gevangenis in Ngawi (Midden-Java), begint in Indie ook een grootscheepse geldinzameling, geinspireerd door, zoals het heet, 'warme vaderlandsliefde'. De bedragen varieren van twee kwartjes van een slechts met initialen aangeduide particulier tot 4.000 gulden van de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij (KPM) en 5.000 gulden van de landvoogd, gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer. Waar dat geld, dat werd ingezameld door het Rode Kruis, uiteindelijk voor gebruikt is, is niet geheel duidelijk. Vermoedelijk is een deel gegaan naar het zogeheten Spitfire-fonds om jachtvliegtuigen aan te kopen.

Daarnaast bestaat bij velen het diepe verlangen in eigen persoon mee te helpen bij de verdediging en de herovering van het moederland. Sommigen voegen spontaan de daad bij het woord. Het Ochtendblad van 15 mei bevat onder het kopje Enthousiaste Vaderlander het volgende bericht: 'Aneta seint uit Palembang dat de heer H. W. J. Bosch, adjunct belasting-inspecteur, dezer dagen ontslag uit 's lands dienst heeft genomen met het doel in Nederland in actieven militairen dienst te gaan. Daartoe is hij Zaterdag met de boot naar Singapore vertrokken'.

Adjunct belasting-inspecteur Bosch is zeker niet de enige man die metterdaad de Duitsers uit Nederland wil verdrijven. De oprichting van een Indisch Legioen voor dit doel wordt ernstig overwogen. Wij citeren, inclusief de oorspronkelijke spatieringen, enkele passages uit een lang artikel over dit onderwerp uit De Java-Bode van 15 mei: 'Welke Hollandsche jongen hunkert er niet naar om nu het vaderland te hulp te snellen, ons dierbaarste bezit, waar vrienden en verwanten hun bloed vergoten in den heldenstrijd tegen Hitlers moordenaars. (...)

Het zou nooit een macht van doorslaggevende betekenis kunnen zijn. Het zou wellicht in het niet zinken tusschen al die miljoenen die ginds in actie zijn. Maar is het niet van het allergrootste belang dat ook Nederland daar vertegenwoordigd is, het zij desnoods maar met duizend man, om daar te blijven vechten tegen het nazi-dom? Het is in ieder geval een kwestie van principe, welke de ernstigste overweging verdient. Indie wil in geen enkel opzicht achterblijven in de grootste worsteling aller tijden, Indie wil vechten voor Holland, waar dan ook. Ook met duizend man minder blijft Indies weermacht een factor van belang en het vertrek van een duizendtal zou ons ook economisch heusch niet ten gronde richten. Het rood-wit-blauw moet hoog gehouden worden op het slagveld van Europa; er moet een Nederlandsch legioen zijn, hoe klein ook, om uiteindelijk zegevierend Holland binnen te rukken als bevrijders van ons Vaderland!'

Dat Indische bevrijdingslegioen is er nooit gekomen, maar veel later wel iets wat er op leek: de Prinses Irene Brigade. Deze eenheid bestond uit Nederlandse militairen, die in de hele wereld waren gerecruteerd. De Irene Brigade heeft in 1944 nog deelgenomen aan de bevrijding van het Zuiden van Nederland. Of aankomend belasting-inspecteur Bosch uit Palembang daarbij aanwezig was weten wij niet.

Morgen: hoe de Nederlandse bevolking de meidagen beleefde.