Sporters ongerust over 'plotse dood'

OVERVEEN, 12 mei - Door de toenemende publiciteit over de 'plotse dood' in de sport en de ophef naar aanleiding van het overlijden door hartstilstand bij beroepswielrenner Johanner Draaijer eind januari is de ongerustheid onder veel sporters toegenomen. Dat is een meevaller voor drs. W. van Teeffelen in haar onderzoek naar de doodsoorzaak van veel sportlieden. Het aantal meldingen bij het Nationaal Instituut voor de Sportgezondheidszorg, waarvan Van Teeffelen medewerkster is, groeit sindsdien snel.

In samenwerking met de hoogleraar cardiologie aan de Erasmus Universiteit, prof. dr. J. Pool, de epidemioloog dr. D. Grobbee en de hoogleraar sportgeneeskunde aan de Rijksuniversiteit Utrecht prof. dr. W. Mosterd heeft Van Teeffelen een netwerk van contactpersonen in ziekenhuizen samengesteld om het aantal sterfgevallen in de sport te verzamelen. 'Wij willen weten of er mensen zijn doodgegaan of een hartaanval kregen tijdens of na het beoefenen van een sport', verklaart Van Teeffelen. 'Maar ook willen we verhalen horen over succesvolle reanimaties. Het is bekend dat bepaalde hartaandoeningen het risico op een plotse dood verhogen. Wij willen bekijken of de overleden sporters dergelijke hartaandoeningen hadden. Sectie verrichten is daarbij belangrijk. Het heeft geen zin om iedereen uitgebreid te keuren om slechts enkele doden te voorkomen. Want dan worden te veel sporters vals beschuldigd. Met de resultaten van dat onderzoek kunnen we de mensen beter voorlichten, wat er kan gebeuren en hoe ver ze kunnen gaan.' In een volgend stadium wordt de huisarts c.q. de behandelend arts door middel van vragenformulieren in het onderzoek betrokken. Ook zullen familieleden van de overledene worden geenqueteerd. Het onderzoek moet uiteindelijk leiden tot antwoorden op de vragen: 1. hoe groot is het probleem in Nederland? 2. welke mensen treft de dood? 3. wat zijn de oorzaken? en 4. wat te doen om de dood te voorkomen? Bij het laatste zal de vraag rijzen of een medische sportkeuring weer verplicht moet worden gesteld (destijds afgeschaft omdat ze te duur en te arbeidsintensief was, en te weinig adviserend werkte) of dat de voorlichting grootser moet worden aangepakt. Het verplichtstellen blijkt in deze tijd van vrijheid en eigen verantwoordelijkheid echter moeilijk. Rest de allesomvattende vraag: Is aan sport doen wel zo gezond? Het onderzoek van het NISGZ staat los van het onderzoek dat de wielrenunie naar aanleiding van enkele sterfgevallen in de wielersport een paar maanden geleden instelde en intussen is afgesloten. Volgens Van Teeffelen bestaan er weinig raakvlakken en richt zich de wielrenners-enquete op een ander gebied.

Het 'onderzoek van de plotse dood' is een onderdeel van de voorlichtingscampagnes die het NISGZ is begonnen. Gisteren werd in Overveen de eerste editie van het blad Sport en Gezondheid gepresenteerd. Het blad zal in een oplage van drie miljoen exemplaren drie keer per jaar huis-aan-huis worden bezorgd en omvat artikelen over blessurepreventie, sporten voor chronisch zieken en voor ouderen, voeding en sportmedische adviezen. NISGZ-directeur A. Vermeulen: 'We hebben het tot nog toe via media, trainers en leraren geprobeerd, maar je weet niet of het aankomt dan wel verminkt overkomt bij de sporter. We doen het nu rechtstreeks.'