Reprise van Salome is in alle opzichten wel bijzonderenerverend

Weerzinwekkend, schokkend en afgrijselijk abject als Strauss' opera Salome is, in de reprise-serie van Harry Kupfers koele, esthetische en afzichtelijk-perverse enscenering, die gisteren met enorm succes in het Amsterdamse Muziektheater begon, vallen bij het weerzien na twee jaar toch vooral ook de komische, luchtige en ironische details op, de subtiele nuances in de tekening der liederlijke personages, de zeer herkenbare menselijke trekjes in deze beestachtige onmensen die elkaar laten vermoorden en onthoofden, als spel, bij wijze van tijdverdrijf, om te pesten of uit simpele onvrede met de eigen immoraliteit.

Al die kleine aanvullingen, onvermoede extra's, onthullende inkijkjes en verbijsterende omstandigheden completeren Wilde's versie van het bijbelse gruwelverhaal alleen nog maar meer en verscherpen de bijna surrealistische dood van Johannes de Doper. Ze maken zijn hoofd op de zilveren schaal als beloning voor een sluierdans eigenlijk zelfs aannemelijk: in een zo decadente, door existentiele angst, onstuitbare drang tot lijfsbehoud en wanhopige machtsusurpatie verwrongen situatie telt een hoofd niet, zeker niet als het de waarheid spreekt.

In deze lucide eenheid tussen regie, decor, zingen, acteren en musiceren functioneren alle elementen van de operakunst optimaal. De voorstelling overtuigt opnieuw ook met de gemotiveerde cast, die op een enkele uitzondering na identiek is aan de vorige.

Eva-Maria Bundschuh lijkt zich nog meer dan destijds bij de premiere deze gecompliceerde uitbeelding van de titelrol te hebben eigen gemaakt. Haar Salome is een (bijna) onschuldig kindmeisje, helaas ten paleize tot een gestoorde punk opgegroeid in een te kansrijke omgeving en toch een vrijwel willoos werktuig van haar moeder. Ze haakt naar levende liefde (van Johannes) en hunkert nog meer naar dood speelgoed (het hoofd, dat al snel terzijde wordt geschoven). Bundschuh vult dat vocaal en acterend in met een vaak verbluffend en soms overweldigend groot gemak. Ze heeft een enorme varieteit aan expressie, waarmee ze zelfs tegelijk het grootste medelijden en de meest intense afschuw oproept.

John Brocheler is wederom een sonoor roepende profeet in deze woestenij van driften. Hebe Dijkstra is de nieuwe en juist door die licht aangezette bijna karikaturale tics een zeer overtuigende en driftige Herodias als opvolgster van Helga Dernesch. Ze oogt in die moederrol heel jong, veel jonger dan haar dochter Salome en lijkt daartoe wel een pact met de duivel te hebben gesloten. Gunter Neumann is opnieuw een uiterst labiele, in zijn onzekerheid ook nogal ridicule Herodes, een goedwillende sul, een verlopen hippie met dodelijke flower-power.

De muzikale leiding van Hartmut Haenchen is gezaghebbend en van hoog niveau. De vorige keer werkte hij in deze opera met het Rotterdams Philharmonisch Orkest, nu komt hij met zijn voortreffelijk spelende Nederlands Philharmonisch Orkest tot een zeer respectabel resultaat. Haenchen wisselt telkens moeiteloos van stemming en klankkleur, bewerkt ijzige, onheilspellende stiltes en verpletterende orkestrale effecten en doseert ook juist daartussen alles bijzonder competent. Waar de Nederlandse Opera zo kan werken met het 'eigen' orkest, is duidelijk sprake van winst.

Voorstelling: Salome van R. Strauss door de Nederlandse Opera en Ned. Philharmonisch Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen. Met o.a.: Eva-Maria Bundschuh, Gunter Neumann, Hebe Dijkstra en John Brocheler. Decor en kostuums; Wilfried Werz; regie: Harry Kupfer. Gezien: 11/5 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen: 15, 18, 21, 24, 27, 31/5